Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2020

    Jaaroverzicht 2019

    Jaaroverzicht walvisstrandingen 2019

    Sinds het begin van de jaren 1970 zijn we gewend aan jaarlijks stijgende aantallen aangespoelde walvissen, maar pas na 2005 hebben de aantallen écht een vlucht genomen. Het voorlopige 'hoogtepunt' was 2011, met nagenoeg 900 exemplaren een verdubbeling van het jaar ervoor. Het is misschien een opluchting dat de aantallen daarna zijn gedaald, maar ze schommelen van jaar tot jaar heel sterk (figuur 1). Vreemder nog dan de jaren met zeer hoge aantallen is 2015, een echte uitbijter met extreem lage aantallen. Of de aantallen aangespoelde dieren van de periode daarna, met 500-700 per jaar, 'gewoon' zijn geworden, moet de toekomst leren. Het aantal aangespoelde walvissen is voor 2019 uitgekomen op 516, iets minder dan de gemiddeld 561 in de periode 2005-2019.

    figuur 1. Strandingen van bruinvissen (oranje) en andere walvissoorten (blauw) tussen 2000-2019. De stippellijn is het gemiddelde over 2005-2019.

     

    2019 soortenarm, maar veel vinvissen

    Het jaar is betrekkelijk rustig verlopen, met alleen werkelijk hogere aantallen in juli (zie onder, bij bruinvis). Wat bijzondere soorten betreft was 2019 net als 2018 wat saai: er zijn maar 3 andere soorten gemeld. Wat een verschil met jaren als 2010, 2014 en 2017, elk met 7 verschillende bijzondere soorten, 2011 met 6, en 2012 en 2016 met elk 5!

    De eerste niet-bruinvis van 2019 betrof een schedel van een dolfijn, misschien een witsnuitdolfijn. Deze soort heeft in de decennia voor 2000 een belangrijk stempel gedrukt op de 'bijzondere strandingen', want er spoelden toen jaarlijks 1-13 exemplaren aan. Sinds 2000 gaat de soort wat betreft het aantal aangespoelde exemplaren echter hard achteruit: in de eerste tien jaren van deze eeuw, 2000-2009, spoelden er in totaal nog 49 aan, maar in het volgende decennium waren dit er maar 9, terwijl er in deze laatste periode maar liefst vijf jaar waren met 0 exemplaren. De levende witsnuitdolfijn van 7 augustus 2019 bij Kijkduin was dan ook een grote verrassing. Naast deze twee (mogelijke) witsnuitdolfijnen zijn nog eens 4 ongedetermineerde dolfijnen gevonden. Drie hiervan betroffen vondsten van losse botten, alle van grote dolfijnsoorten, misschien witsnuitdolfijn of tuimelaar. Alleen nummer vier, gevonden op 15 maart bij Wijk aan Zee, was eentje waar nog vlees aan zat. Helaas ontbrak de kop en restte er niet meer dan een wanordelijke hoop ribben, wervels en vlees. Er zijn enkele wervels verzameld, maar tot op heden zijn nog geen determinatiepogingen ondernomen.

    Een dode gewone vinvis is tegenwoordig een bijna jaarlijks terugkerend fenomeen. In de laatste twintig jaar, dus sinds 2000, zijn er maar liefst 15 exemplaren geregistreerd; in de twintig jaar ervoor (1980-1999) slechts 1! De soort was ook in 2019 weer present, dit keer met twee exemplaren. Die van 7 juni bij Vlissingen betrof geen echte stranding, maar een exemplaar dat door een schip was aangevoerd. Ook dat lijkt 'gewoon' te worden en het gold vast ook voor de tweede gewone vinvis die op 9 september bij Ter Heijde aan land is gesleept. Deze was net zo 'aanvaringsverdacht', gezien zowel de locatie – hij dreef in de vaargeul van de Nieuwe Waterweg – als de kapotte kop. Zoals al eerder op deze website is opgemerkt, is meer vinvissen nabij de Nederlandse kust geen teken van een gezonde zee. Het zou best een aanwijzing kunnen zijn voor een toegenomen populatie in de Golf van Biskaje, maar omdat schepen nog altijd groter, sneller en stiller worden, en er zeker niet minder schepen varen, neemt de kans dat een walvis wordt aangevaren toe. Helaas was er geen geld beschikbaar om de tweede vinvis te onderzoeken, een gemiste kans om dit soort bijzondere dieren nader te leren kennen. Dat vrijwel alle op onze kust gevonden gewone vinvissen waarschijnlijk uit de Golf van Biskaje komen, en eigenlijk allemáál aanvaringsverdacht zijn, blijkt ook uit de locaties waar ze gevonden zijn, namelijk alle ten zuiden van Noordwijk. Er is maar één uitzondering en dat is de gewone vinvis van 20 augustus 2017 die op Texel strandde. Dat dier was echter al op 7 augustus drijvend gesignaleerd ter hoogte van Den Haag en past dus helaas geheel in het plaatje. In de noordelijke Noordzee komen ook gewone vinvissen voor, maar die zijn niet geneigd naar het zuiden te verdwalen, terwijl er kennelijk ook geen, of minder, grote vrachtschepen via die route naar ons land komen. Een alternatieve verklaring is dat er in de Golf van Biskaje dermate dichte concentraties gewone vinvissen voorkomen, dat de kans dat ze daar worden aangevaren domweg veel groter is dan in het noorden.

    2019 was een echt vinvissenjaar, want behalve de twee gewone vinvissen zijn er ook 2 dwergvinvissen aangespoeld, pal na elkaar en beide in het noorden van het land, namelijk op 8 juli op Texel en op 9 juli op Schiermonnikoog. Die op Texel was een interessant exemplaar, niet alleen omdat zij – het was een vrouwtje – een sterk vergroeide wervelkolom had, maar ook omdat zij zich vlak daarvoor nog had volgegeten met sprot. De doodsoorzaak van dit dier was 'trauma' (lees: aanvaring), kennelijk ook een reëel gevaar voor walvissen op ons eigen grondgebied. De dwergvinvis van Schiermonnikoog kon wederom niet onderzocht worden vanwege ontbrekende middelen, de tweede gemiste kans van dit jaar. Vier vinvissen in één jaar is bijzonder, zij het niet uniek: in 2015 zijn er zelfs 5 vinvissen gestrand, 4 dwergvinvissen en 1 gewone vinvis. Voor eveneens 5 vinvissen binnen één jaar moeten we terug tot 1914, toen er 4 gewone en 1 dwergvinvis op onze kust zijn gevonden. De 'verdichting' in vinvismeldingen sinds 2000 is in figuur 2 heel goed zichtbaar en baart zorgen. Gestaag registreren en onderzoeken is het devies, want alleen zo kunnen we meer leren over de doodsoorzaken en misschien zelfs actie ondernemen om deze toppredatoren te beschermen.

    figuur 2. Strandingen van vinvissen (inclusief bultrug) in 1900-2019.

     

    Hoewel er jaarlijks enkele bijzondere walvissen op onze kust stranden, blijkt uit bovenstaande duidelijk dat de ondiepe en zandige zuidelijke Noordzee bij uitstek habitat is van de bruinvis en hooguit bij uitzondering van andere soorten.

     

    dode bruinvis voerde de boventoon

    Figuur 1, met strandingen van alle walvissen op onze kust sinds 2000, toont feitelijk de aantallen aangespoelde bruinvissen, want de andere soorten maken maar 2% uit van het totaal. Het jaartotaal over 2019 met 506 bruinvissen was 'heel gemiddeld' sinds de extreem hoge aantallen in 2011-2013 en maar iets onder het meerjarig gemiddelde. Gezien het beeld van figuur 3, met in maar liefst acht maanden lagere aantallen dan de respectieve maandgemiddelden, is het bijzonder dat het jaartotaal toch wat hoger is uitgekomen dan dat van 2018 (in dat jaar 468). Het was ook – alweer – een wat afwijkend jaar. Ten eerste viel het relatief hoge januariaantal op; doorgaans is dat lager dan in de maanden die erop volgen. Het was te meer bijzonder omdat de aantallen in november-december 2018 veel lager waren dan gemiddeld. Het hoge januariaantal van 2019 was merkbaar aan de Hollandse kust, met name in Zuid-Holland, terwijl de Delta in januari duidelijk lagere aantallen te zien gaf dan gebruikelijk.

    Het reguliere aanspoelpatroon, met pieken in maart en augustus, de blauwe lijn in figuur 3, was in 2019 afwezig. In tegendeel: er waren nu pieken te zien in januari en juli. Een jaar waarin het maarttotaal lager is dan in de maanden ervoor is tegenwoordig echt bijzonder. Alleen in Noord-Holland was er dit jaar een piekje in maart, terwijl de aantallen in januari en februari in deze provincie ook al hoog waren. Noord-Holland week ook af van de andere deelgebieden in de zomerpiek: die was hier namelijk verschoven naar augustus. De aantallen per maand zijn echter klein, dus misschien is de afwijking in Noord-Holland toeval. In de deelgebieden Delta, Zuid-Holland en Wadden was er een klein tweede aanspoelpiekje in oktober, dat in Noord-Holland afwezig was. Ook toeval? Dode bruinvissen daalden na oktober naar nog lagere aantallen, in november in Zuid- en Noord-Holland zelfs naar 0. Dit zijn echter de deelgebieden met de kortste kustlijn en hier is de kans op een maand met 0 aangespoelde bruinvissen dus het grootst. Toch komt 0 meldingen niet vaak voor: in de periode 2005-2019 in de Delta maar 2 keer, in Zuid-Holland 5 keer, in Noord-Holland 11 keer en in het Waddengebied 0 keer. Mede dankzij de piek in juli en de wederom zeer lage aantallen aan het eind van het jaar strandde bijna de helft (47%) van het jaartotaal in de maanden juli-september; normaal is dat 37%. Overigens schuift de zomerpiek over de jaren wel vaker heen en weer tussen juli en september.

    figuur 3. Maandelijkse aantallen gestrande bruinvissen (oranje staven, n=506) en het maandelijks gemiddelde aantal over 2005-2017 (blauwe lijn, n=7755).

     

    In vorige jaren leek de maartpiek sterk beïnvloed te zijn door het hoge aantal strandingen op Goeree. Daaronder bevonden zich dan veel verscheurde bruinvissen, niet zelden meerdere op een dag. De veronderstelling was dat die ten prooi waren gevallen aan één of misschien twee grijze zeehonden, die zich gespecialiseerd hadden in het jagen op bruinvissen. In dat geval zou het lage aantal in 2019 kunnen betekenen dat er op die plek geen grijze zeehonden actief waren. Alternatief is natuurlijk dat er geen bruinvissen waren om op te jagen.

    Het aandeel aangespoelde bruinvissen per deelgebied week ook wat af van het meerjarig gemiddelde: vooral de Delta heeft een veer gelaten en blijkbaar stuivertje gewisseld met het ernaast gelegen Zuid-Holland (de gekleurde taartpunten in figuur 4). Gemiddeld komt bijna een derde van de meldingen uit de Delta, maar in 2019 was dat maar een vijfde. Uit Zuid-Holland wordt gemiddeld krap een vijfde van het landelijk totaal gemeld, maar dit was in 2019 goed voor bijna een derde.

    Het landelijke gemiddelde aantal aangespoelde bruinvissen per kilometer kustlijn ligt op 1,7. Voor 2019 was dit 1,3. In drie deelgebieden was het wat hoger en in de Delta lager (de getallen in figuur 4). Dat is opvallend, want het kilometergemiddelde is daar altijd relatief hoog (1,8 in 2005-2018). Dat zou een waarnemerseffect kunnen zijn, maar dat lijkt gezien het grote en goed onderhouden netwerk van melders én de grote aantallen wandelaars op de betrekkelijk smalle stranden vrijwel ondenkbaar. Grote jaarlijkse schommelingen in meldingen verwacht je eerder in het Waddengebied, waar het nagenoeg onmogelijk is om de uitgestrekte stranden en kwelders gebiedsdekkend en het hele jaar in de gaten te houden. We hebben overigens ervaren dat het nóg lager kan: in 2017 was het kilometergemiddelde in Noord-Holland slechts 0,4. Het is dan ook riskant om aan getallen uit één jaar grote conclusies te verbinden. Daarnaast is de opdeling in deelgebieden zoals we die hier gebruiken kunstmatig; bruinvissen zien een eventuele onderverdeling misschien wel heel anders (vanaf onder water) dan wij (vanaf land).

    figuur 4. Aandeel gestrande bruinvissen voor de vier deelgebieden Delta (D, blauw), Zuid-Holland (ZH, rood), Noord-Holland (NH, groen) en Wadden (W, paars) voor 2019 vergeleken met de periode ervoor. De getallen geven het gemiddelde per kilometer kustlijn per jaar.

     

    In hoeverre werkzaamheden op de Noordzee van invloed zijn op de aangespoelde aantallen is niet bekend, maar wel iets om in de gaten te houden. In 2019 is begonnen met de voorbereidende werkzaamheden voor windparken Borssele I en II. Die komen ter hoogte van Vlissingen weliswaar twintig kilometer uit de kust, maar misschien is niet alleen het heien verstorend voor bruinvissen (dit is inmiddels bekend), maar zijn ogenschijnlijk minder storende werkzaamheden als graven, baggeren en heen en weer varen dat ook al. In België zijn al diverse windparken operationeel. Het lage aantal aangespoelde dieren roept associaties op met de activiteiten bij de Hondsbossche Zeewering, waar enkele jaren geleden, ten tijde van de opspuitwerkzaamheden, geen dode bruinvis op het strand te bespeuren viel, terwijl in de jaren ervoor het aanspoelpatroon van bruinvissen in Noord-Holland vergelijkbaar was met dat elders langs de kust.

     

    sekse en leeftijd

    In 2019 is van 255 dode bruinvissen het geslacht bepaald, ongeveer de helft van het jaartotaal dus. Daarbij bewijzen foto's van de buikzijde steeds grote diensten, want het aandeel bruinvissen dat door melders wordt gesekst is doorgaans lager, terwijl er ook wel eens een foute sekse wordt toegekend. Over de jaren blijft het aandeel gesekste dieren zeer constant: 50,4% in 2019 tegenover 50,2% in 2005-2018. Ook het aandeel mannetjes is opvallend vergelijkbaar, namelijk 58,4% in 2019 tegen 58,2% in de vergelijkingsperiode. Over 2005-2018 liep het aandeel mannetjes van zuid naar noord af van 62% in de Delta naar 55% in het Waddengebied en in 2019 was dit patroon vergelijkbaar. Alleen in het Waddengebied was het aandeel mannetjes erg hoog (80%), maar dat houdt misschien verband met het lage aantal gesekste dieren daar (45 exemplaren).

    Het spreekt voor zich dat niet alle aangespoelde bruinvissen op het strand gemeten kunnen worden; een deel van de exemplaren is nu eenmaal incompleet. Het aandeel gesekste bruinvissen dat ook gemeten is, is dus lager dan het aandeel gesekste dieren. Het is echter zorgelijk dat het aandeel gemeten dieren per sekse door de jaren heen steeds lager wordt; in de periode 2005-2012 schommelde dit steeds rond de helft, maar vanaf 2013 is dit nog maar een vijfde (figuur 5). Om beter inzicht te krijgen in het wel en wee van een populatie is het van belang om in de gaten te houden welke sekse- en leeftijdscategorieën sterven; worden er bijvoorbeeld alleen jongen op het strand gevonden, of zijn het vooral dieren van één sekse? Het devies blijft dan ook: meten en seksen, ook al is het extra werk.

    figuur 5. Percentage bruinvissen waarvan zowel geslacht als lengte is bepaald.

     

    Lengte is bij walvissen een goede aanwijzing voor leeftijd, maar bij volwassen bruinvissen zijn vrouwtjes van gelijke leeftijd groter dan mannetjes. Als grove maat kan worden gesteld dat alle bruinvissen onder 100 cm jonger zijn dan 1 jaar. Voor mannetjes stelt men dat ze tot 120 cm nog niet volwassen zijn en daarboven wel. Voor vrouwtjes houden we hiervoor 130 cm als grens aan. In 2019 zijn bijzonder weinig 1-jarige vrouwtjes gevonden, namelijk 7% (2 exemplaren). In de laatste negentien jaar was dit 18% (n=3037). Afgezien van sekseverschillen was de sterfte in 2019 over de verschillende leeftijdsgroepen wel sterk vergelijkbaar met het algemene beeld, met 24% jongen, 39% onvolwassen en 38% volwassen dieren (figuur 6).

    figuur 6. Leeftijdsverdeling van gestrande bruinvissen in 2019 vergeleken met 2005-2018 (jong - blauw, subadult - rood en adult - groen), gebaseerd op lengte.

     

    bruinvismoeheid?

    Dat het percentage gemeten én gesekste bruinvissen steeds lager wordt (figuur 5) komt misschien wel door 'bruinvismoeheid'. Het bruinvisstrandingsonderzoek was in de beginjaren 2000 nieuw en de aantallen aangespoelde dieren waren tot 2010 nog enigszins behapbaar. Daarna kwamen de jaren 2011-2013, met niet alleen extreem grote aantallen, maar ook met veel aandacht: er zijn toen honderden kadavers verzameld voor onderzoek. Sinds duidelijk is dat de sterk beschadigde dieren, in tegenstelling tot wat aanvankelijk werd gedacht, vermoedelijk een natuurlijke dood zijn gestorven (namelijk door grijze zeehonden), en er (daardoor?) minder geld beschikbaar is gesteld voor onderzoek, lijkt de aandacht voor het op het strand verzamelen van gegevens aan dode bruinvissen, zoals lengte en sekse, wat weggeëbd. Dit is jammer, want alleen lange meetreeksen geven inzicht in veranderingen, in tegenstelling tot af en toe een steekproef. Daarom hierbij het verzoek aan alle melders: probeer van elke bruinvis zowel de sekse als de lengte te bepalen, en als dat niet mogelijk is dan toch ten minste een van de twee variabelen. Stuur altijd enkele foto's van het hele kadaver mee, zowel van de buik als van de linker- en rechterkant. Dat is van belang voor nu, maar betekent dat ook over tientallen jaren onze opvolgers nog kunnen terugkijken in de tijd en misschien zaken kunnen bepalen waar nu nog geen aandacht voor is.

     

    dankwoord

    In 2019 zijn wederom honderden mensen betrokken geweest bij het melden, ophalen en/of anderszins communiceren van en over bruinvissen. Allen daarvoor wederom hartelijk dank. En blijf melden!

    Guido Keijl, Naturalis

    [dit bestand is ook hier te downloaden als pdf]