Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2022

    Nieuws 2022

    • maandoverzicht augustus 2022

      Het kon haast niet anders dan dat het aantal strandingen in augustus lager zou uitvallen dan in juli. Dat is inderdaad gebeurd: de teller is blijven steken bij 42 stuks. Dat is slechts de helft van het meerjarig gemiddelde voor augustus, dat op 87 ligt. Dat gemiddelde is vooral zo hoog vanwege de massastranding van augustus 2021, toen er in 255 gestrande walvissen zijn gemeld, bijna uitsluitend bruinvissen. Zonder augustus 2021 ligt het meerjarig gemiddelde op 75, nog altijd erg hoog. Dat komt vooral door dat andere extreme jaar, 2011, toen er 211 gestrande walvissen zijn geregistreerd. Het daaropvolgende 'beste' jaar komt op het conto van 2017 met 99 gestrande dieren. Het laat zien hoe extreem de aantallen aangespoelde dieren in sommige jaren kunnen zijn, opvallend genoeg vaak in de zomermaanden. Voor 2021 is een oorzaak voor het hoge aantal strandingen gevonden, voor de massastranding van zomer 2011 tasten we nog altijd in het duister.

      In augustus 2022 vonden de meeste strandingen in de eerste decade van de maand plaats. 29 van de 42 zijn in die tien dagen gestrand, de overige 13 dus in de drie weken erna. Dat zal deels te maken hebben gehad met de overwegend oostelijke wind. Inderdaad zat de wind in de eerste zeven dagen in de noordhoek en werd hij daarna langdurig oostelijk.

      In het Deltagebied zijn deze maand 12 strandingen gerapporteerd (waarvan 1 in de Wester- en 5 in de Oosterschelde), 10 langs de Zuid-Hollandse en slechts 1 langs de Noord-Hollandse kust, en 19 in het Waddengebied (Texel 4, Vlieland 5, Terschelling 4, Ameland 2, Schiermonnikoog 2, Engelsmanplaat 1 en Noord-Holland 1).

      De enige niet-bruinvis betrof een gewone spitssnuitdolfijn die op 18 augustus Texel langs de kust zuidwaarts drijvend werd opgemerkt. Het was deze zomer alweer de vierde gewone spitssnuitdolfijn aan de Nederlandse kust, na het trio op 19 juli bij Zandvoort.

    • de verloren walvissen

      Klimaatverandering is 'hot' en we staan tegenwoordig op scherp: elke verandering in de omgeving wordt toegeschreven aan klimaatverandering. Recent was er wat opschudding in medialand: waren er de laatste tijd niet opvallend veel zeezoogdieren buiten hun normale gebied gezien, zoals drie spitssnuitdolfijnen aan de Hollandse kust, een orka en een beloega in de Seine, een walrus in Noorwegen? Dankzij walvisstrandingen.nl konden we mensen hopelijk wat geruststellen: er is sinds 2000, buiten bruinvissen, geen alarmerende stijging van strandingen te zien. Met andere woorden: een walvis in Nederland, of in de buurt van Nederland, die hier normaal gesproken niet thuishoort, blijft vooralsnog een toevalstreffer. Of er een trend zichtbaar is weten we alleen door de strandingen, samen met de andere landen rond de Noordzee, op de voet te blijven volgen. Voorwaarde om een trend vast te stellen is wel dat gestrande dieren gedetermineerd worden.

      Walvisstrandingen.nl bevat gegevens van bijna veertienduizend walvissen. De hoofdmoot bestaat uit bruinvissen, bijna dertienduizend exemplaren. De overige gegevens betreffen maar liefst 25 andere soorten. Naast de gedetermineerde walvissen zijn er nog acht categorieën van walvissen waarvan de soort niet bekend is (tabel 1). Het niveau van determinatie van deze laatste groepen loopt uiteen van 'bijna' gedetermineerde soorten (bijvoorbeeld 'witsnuit- of witflankdolfijn') via een soortgroep ('ongedetermineerde spitssnuitdolfijn') tot een nog bredere categorie ('kleine walvis').

      tabel 1. Ongedetermineerde walvissen in walvisstrandingen.nl, sinds 1250 en sinds 1990. De categorieën zijn gerangschikt van hoog naar laag sinds 1990.

        sinds 1250 sinds 1990
           
      ongedetermineerde dolfijn 49 25
      bruinvis of dolfijn 10 6
      witsnuit-/witflankdolfijn 4 4
      walvis of dolfijn 7 3
      kleine walvis 8 3
      ongedetermineerde spitssnuitdolfijn 4 1
      grote walvis 5 1
      grote vinvis 2 0
           
      totaal 89 43

       

       

       

       

       

       

       

       

       

      De meest waardevolle informatie over gestrande walvissen is natuurlijk die waarbij de soort bekend is. Soorten hebben hun eigen ecologie, bijvoorbeeld hun eigen habitatvoorkeur en eigen favoriete voedsel. Er zijn soorten die voor het eerst in Nederland verschijnen en daarna in aantal toenemen, er zijn ook soorten die uit Nederland verdwijnen. Vanwege de specifieke, voor de soort kenmerkende ecologie kan er voor meerdere soorten nooit één oorzaak voor verandering worden aangewezen, zelfs al komen die soorten in hetzelfde habitat – in dit geval de Noordzee – voor. Uit walvisstrandingen.nl is een en ander duidelijk te destilleren, ook al gaat het in dit bestand niet om levende maar om dode gestrande walvissen. Zo is bruinvis sinds 1990 sterk toegenomen, maar bijvoorbeeld orka al ruim een halve eeuw geleden uit de Nederlandse wateren verdwenen.

      Dat er ongedetermineerde soorten in het bestand zitten is jammer, want bijna alle soorten behalve bruinvis zijn hier dermate schaars dat elke stranding daarvan zwaar meetelt in het bepalen van een trend. Ongedetermineerde walvissen maken 0,6% uit van de hele database. Dat lijkt een verwaarloosbaar klein aandeel, maar zonder bruinvissen is het bijna 9%. Dat betekent dat van elke aangespoelde niet-bruinvis bijna 1 op de 10 ongedetermineerd is gebleven. Vanaf 1990 is het getal nog zorgwekkender: 43 van de 287 niet-bruinvissen die sinds 1990 in Nederland zijn gestrand, zijn niet op naam gebracht. Dit is 15%, oftewel 1 op de 7.*

      Ook dit jaar zijn er enkele walvissen gestrand die op grond van foto's niet met zekerheid op naam gebracht konden worden (4 exemplaren, op moment van schrijven ruim 1% van alle strandingen van dit jaar, maar van de niet-bruinvissen 67%!). Het onvermogen om een soortnaam op een kadaver te kunnen plakken heeft vooral te maken met de toestand van het kadaver: het is rot, verkleurd, incompleet. Daarnaast heeft het te maken met tijd, met geld of met allebei. Het verzamelen of anderszins bergen van een kadaver kost honderden, soms zelfs tienduizenden euro's. Hoe groter het kadaver, en hoe verder van Leiden, hoe duurder het wordt. Ook het opnemen van botten in de collectie kost geld (ruimte, mankracht). Er worden dus heel wat afwegingen gemaakt voordat wordt besloten om een dode walvis te verzamelen. Wordt er besloten dat niet te doen, dan staat de determinatie op de tocht, omdat er dan geen schedel of andere onderdelen kunnen worden bekeken of DNA-analyse kan worden gedaan.

      Naturalis heeft het voornemen om de koe bij de horens te vatten en determinatie van kadavers die niet in de collectie opgenomen worden én niet vanaf een foto te determineren zijn op een andere manier te gaan behandelen. Over hoe dit vorm gaat krijgen wordt nog nagedacht. We houden u op de hoogte.

      *Het procentuele verschil tussen ongedetermineerde walvissen sinds 1250 en sinds 1990 is eenvoudig verklaarbaar: gestrande dolfijnen en andere kleine walvissen zijn in het verleden niet bijgehouden, alleen de grote en bijzondere soorten.

    • maandoverzicht juli 2022

      Het is juli en bingo: het aantal strandingen stijgt explosief. Op het moment van schrijven van dit overzicht, 1 augustus, staat het aantal voor juli op maar liefst 112 en de teller voor het hele jaar op 288. Juli was dus goed voor bijna 40% van het jaartotaal (tot nog toe). Dat  zou wat kunnen beloven voor augustus, waarin normaal gesproken ongeveer evenveel bruinvissen stranden als in juli. Of dat echt gaat gebeuren is de vraag, want tegen het einde van juli nam het aantal strandingen alweer sterk af. Het meerjarig gemiddelde voor juli ligt op 77. Uitschieters naar boven waren vooral juli 2012 met 130 strandingen en juli 2020 met 121, recente uitschieters naar beneden bijvoorbeeld juli 2021 met 68 en juli 2018 met 62.

      Vooral de overgang van juni naar juli ging met een enorme schok, alsof dode bruinvissen op de kalender kunnen kijken. In de laatste volle week van juni strandden er 2 dode bruinvissen, in de eerste week van juli 40! Gelukkig ging het daarna wat minder hard, maar tot en met de laatstse dag waren er dagelijks meldingen, 28 en 30 juli uitgezonderd.

      In het Deltagebied zijn er 17 strandingen gemeld (nul in de Wester- en Oosterschelde, misschien wel een unicum), in Zuid-Holland 31, in Noord-Holland 20 en in het Waddengebied 43 (Texel 16, Vlieland 11, Terschelling 7, Ameland 1, Engelsmanplaat 2, Schiermonnikoog 2, Rottumeroog 1 en de vastelandskust 3). Het mag duidelijk zijn dat vooral de overwegend zuidwestelijke windrichting een rol heeft gespeeld, zie het geringe aantal strandingen op de oostelijke Waddeneilanden.

      Zoals zo vaak in de zomer waren ook nu veel bruinvissen rot. Dat betekent dat ze dagen hebben rondgedreven voordat ze zijn gestrand. Daarnaast was er een flink contingent kalfjes. Het is natuurlijk goed nieuws dat bruinvissen kalven in de zuidelijke Noordzee, maar dat er relatief veel aanspoelen betekent dat er veel hun moeder kwijtraken. Storm hebben we niet gehad. Misschien is er iets anders mis, of is dit toch 'normaal' voor een gezonde populatie. Drie exemplaren zijn levend gestrand en voor zover bekend heeft niet een het overleefd.

      Behalve het grote aantal strandingen trokken ook enkele bijzondere soorten de aandacht. De eerste was een rotte dolfijn op 4 juli bij Terschelling. Dit dier is aangespoeld op het wad en kon vanwege de decompositie niet nader gedetermineerd worden, hoewel witsnuitdolfijn een aannemelijke optie is. Nummer twee strandde een dag later bij Dishoek. Ook dit dier kon vanaf foto's niet met zekerheid gedetermineerd worden, maar ook deze leek op een witsnuitdolfijn. Van deze laatste konden op het nippertje enkele onderdelen worden verzameld. Misschien komen we dus ooit nog achter de ware identiteit.

      Meer aandacht trok de bultrug op Vlieland, die eveneens op 5 juli strandde. De stranding volgde op een reeks waarnemingen van een bultrug voor de kust, de eerste op 23 mei in de Voordelta en daarna van 7 tot en met 20 juni. De walvis was in deze periode met enige regelmaat zichtbaar vanaf de kust tussen Cadzand-Bad en Breskens. Op 22 juni dook er een bultrug op in de omgeving van Texel. Daarna was er nog een onzekere waarneming vanaf Ameland op 28 juni, waarna het stil bleef tot 5 juli, toen een dode bultrug op Vlieland werd gevonden. Op basis van foto's van de onderstaart kon worden geconcludeerd dat het Zeeuwse dier het zelfde individu was als het gestrande exemplaar op Vlieland.

      Een bultrug meet bij geboorte 4-5 meter. Deze was ruim 6 meter. Op basis daarvan betrof het dus een jong van dit jaar. Dit bleek ook bij de demontage: de schedel was nog niet verbeend en de tussenwervelschijven waren los, een teken van de jeugdige leeftijd. Afgezien van de bultrug die op 12 december 2012 strandde op de Razende Bol waren de andere in Nederland gestrande bultruggen ukkies van nog geen 10 meter. De zichtwaarnemingen waarbij 'adult' wordt gemeld geven aan dat het schatten van een walvis op zee een hachelijke zaak is, zeker door onervaren waarnemers.

      Na al deze consternatie volgde er nog een bijna-stranding van een groepje van 3 gewone spitssnuitdolfijnen op 19 juli bij Zandvoort.  Zie ook dit bericht. Hoewel in Nederland gewone spitssnuitdolfijnen in de meeste maanden zijn gevonden, is het voorkomen voor onze kust vooral een zomeraangelegenheid. Of de levende gewone spitssnuitdolfijn die op 29 juli bij Wenduine in Vlaanderen strandde onderdeel was van hetzelfde groepje of exemplaar nummer vier, zullen we waarschijnlijk nooit weten. Ook dat dier is teruggeduwd en tot op vandaag (1 augustus) niet meer gezien.

       

    • maandoverzicht juni 2022

      In juni 2022 zijn 30 gestrande bruinvissen gemeld. Andere soorten waren er ook deze maand niet bij. Het meerjarig gemiddelde ligt op 48. Vorig jaar juni was het aantal strandingen vrijwel gelijk aan het meerjarig gemiddelde. Dit jaar zaten we daar dus ruim onder, overigens net als in maart en april dit jaar.

      In de Delta zijn 12 bruinvissen gemeld (10 in de Oosterschelde, 2 in de Westerschelde), een flinke stijging sinds vorige maand. Langs de Zuid-Hollandse kust waren het er 7, in Noord-Holland 4 en op de Wadden 7 (Texel 2, Vlieland 3, Terschelling 1, Friese vastelandskust 1).

      Voor zover bekend waren er ten minste 8 jongen onder de gestrande bruinvissen. Een bruinvis is levend gestrand (1 juni Dishoek). Bijzonder is dat dit exemplaar zelf weer wist los te komen. Deze bruinvis is alleen op facebook gemeld en kwam ons bij toeval ter ore. Walvisstrandingen kan niet overal oren en ogen hebben, dus meekijken en melden, ook als het niet uw eigen strandingen betreft, wordt zeer op prijs gesteld.

    • maandoverzicht mei 2022

      In mei 2022 zijn geen andere soorten dan bruinvissen aangespoeld. De eerste decade was rustig, met slechts zes strandingen op drie dagen en dus zeven dagen met nul. Daarna ‘begon het te lopen’, met vrijwel dagelijks een of enkele meldingen. Afgezien van een kleine onderbreking, met tussen 19-25 mei slechts 1 bruinvis, bleef dat zo tot het eind van de maand. In totaal zijn er in mei 32 gestrande bruinvissen gemeld (waaronder een melding van enkele losse wervels), ruim onder het meerjarig gemiddelde van 40. Het wijkt echter een stuk minder af als het totaal van 121 exemplaren uit mei 2013 wordt weggelaten: het gemiddelde komt dan op 34. De trend van lagere maandaantallen dan voorheen wordt wel doorgezet.

      Omdat er na de massastranding van augustus-september 2021 veel kadavers zijn blijven liggen, worden we nu soms geplaagd door nieuwe meldingen van oude kadavers waarbij niet duidelijk is of het een dubbelmelding uit die periode betreft. We proberen uiteraard conservatief te zijn en geen dubbele op te nemen. Foto’s zijn zeer behulpzaam bij het beoordelen hiervan.

      In de Delta zijn deze maand 12 bruinvissen gemeld (waarvan 3 in de Ooster- en 2 in de Westerschelde), in Zuid-Holland 5, in Noord-Holland 2 en in het Waddengebied 13 (Texel 2, Vlieland 1, Terschelling 4, Ameland 2, Rottumerplaat 2, Groningse vastelandskust 2).

      Deze maand zijn de eerste kalfjes van dit jaar gevonden. De eerste spoelde op 27 mei levend aan bij Wijk aan Zee. Nummer twee, een uitzonderlijk kleintje van slechts 40 cm, is gemeld op 29 mei op Texel.

    • maandoverzicht april 2022

      Ook april 2022 was wat strandingen betreft magerder dan gemiddeld: slechts 22 keer is een dood aangespoelde walvis gemeld (gemiddeld ruim 39). Het betrof 21 bruinvissen en 1 nog niet nader gedetermineerde dolfijn. Deze laatste is op 5 april bij de Grevelingendam gevonden en lijkt het meest op een gewone of een gestreepte.

      Sinds 1990 zijn er 25 dolfijnen gestrand, 14 gewone en 11 gestreepte. Beide zijn gespreid over de jaren binnengedruppeld. Van gewone dolfijn strandt er meestal maximaal een per jaar. Alleen in 2016 waren er 3 gewone en in 2020 nog eens 4. Gestreepte dolfijn strandt net zo onregelmatig en eveneens met maximaal een per jaar. Alleen in 2016 zijn er twee gestrand, een moeder-dochterpaar.

      Zowel gewone als gestreepte dolfijn zijn in acht maanden van het jaar vastgesteld. Gestreepte dolfijn lijkt iets vaker in de wintermaanden te stranden: 6 tussen november en maart. Gewone dolfijn heeft misschien een klein voorjaarspiekje, met 2 in maart en 4 in april. De tijd zal leren of beide soorten willekeurig blijven binnendruppelen of dat er een trend zichtbaar wordt.

      In de Delta zijn deze maand 7 bruinvissen gevonden (waarvan 1 in de Westerschelde en 1 in de Oosterschelde), in Zuid-Holland 2, in Noord-Holland 2, en in het Waddengebied 10 (Razende Bol 1, Texel 3, Ameland 2, Engelsmanplaat 1, Schiermonnikoog 1, Rottumerplaat 1, Termunterzijl 1). Er is 1 bruinvis levend gestrand (4 april Bergen). De scheve sekseverhouding die in maart is vastgesteld was nu weer rechtgetrokken (7 man en 6 vrouw).

    • maandoverzicht maart 2022

      Over het aantal strandingen in maart 2022 kunnen we kort zijn: het lag ver onder het gemiddelde. Het gemiddelde sinds 2006 is 52, in maart 2022 zijn er slechts 16 dieren gemeld. Daarmee komt dit jaar op een van de laagste maarttotalen van deze eeuw. Alleen in maart 2020 zijn er minder strandingen gemeld, namelijk 13. Het volgende jaar met minder dan 16 was maart 2002, toen er 12 aangespoelde bruinvissen waren.

      Er zijn in maart dit jaar geen andere soorten dan bruinvissen aangetroffen. In de Delta zijn er deze maand vier gevonden (waarvan 1 in de Oosterschelde), aan de Zuid-Hollandse kust 0, aan de Noord-Hollandse kust 2. Het Waddengebied was deze maand dus goed voor de overige 9 (Texel 1, Vlieland 3, Ameland 2, Schiermonnikoog 2 en Groningen 1).

      Twee dieren zijn levend gestrand. Als enige andere bijzonderheid valt te melden dat de sekseverdeling extreem scheef was: 11 van de 12 gesekste dieren was een man.

    • jaaroverzicht 2021

      Het jaaroverzicht over 2021 staat online.

    • maandoverzicht februari 2022

      In februari 2022 zijn 33 aangespoelde bruinvissen gemeld. Dat is maar net iets onder het meerjarig gemiddelde van 36. Februari 2021 was met slechts 18 strandingen ongewoon laag, net als 'daljaar' 2015 overigens. Jaren met extreem hoge aantallen in februari waren 2009 met 58 en 2013 met 56.

      Het was niet alleen een erg zachte en natte maand, maar ook een hele stormachtige. Op 6 februari stormde het, en tussen 16 en 21 februari hadden we zelfs drie stormen achterelkaar. Het lijkt er niet op dat dit van invloed is geweest op het aanspoelen van bruinvissen, want alleen op de derde zijn er 4 gemeld en op de negentiende 3. Op de andere dagen ging het om 0-2 dieren. De enige levende bruinvis van deze maand strandde op de derde, dus ook niet in verband met storm. Andere soorten dan bruinvissen zijn niet gemeld.

      In de Delta zijn 6 bruinvissen gemeld, Zuid-Holland 7, Noord-Holland 5 en in het Waddengebied 15 (Texel 2, Vlieland 3, Terschelling 3, Ameland 5, Noord-Hollandse wadkust 1, Friese wadkust 1).

    • wie heeft de grootste?

      gewone vinvissen nader bekeken

      De aanleiding voor het schrijven van dit stukje met een tikje prikkelende titel is dit bericht dat de NOS op 17 januari 2022 publiceerde. De NOS stelt dat de gewone vinvis die op 20 augustus 2017 op Texel aanspoelde en door Ecomare wordt bewaard de grootste vinvis is die ooit in Nederland is gezien. Dit roept twee vragen op: is de grootste belangrijk, en klopt het?

      Grote walvissen hebben mensen altijd geïntrigeerd. Blauwe en gewone vinvissen, beide behorend tot de grootste soorten die ooit hebben geleefd, zijn inderdaad indrukwekkende beesten, maar krijgen onevenredig veel aandacht. Olifant, giraf en Tyrannosaurus rex zijn dan ook lachertjes vergeleken bij vinvissen. We zien in Nederland helaas maar weinig grote walvissen, en zelfs als we het geluk hebben er eentje op zee te zien blijft het bij een stukje rug en een spuit. Als er een op het strand ligt, genereert hij daarom een hoop aandacht, en hoe groter, des te meer. Er ligt bijna dagelijks een bruinvis op het Nederlandse strand, en een bruinvis is een echte walvis, maar zelden groter dan 160 centimeter. Zo'n ukkie komt niet op televisie.

      'Does size matter?' is een vraag die veel mensen bezig houdt. Bij walvissen is dat inderdaad het geval. Lengte geeft informatie over de samenstelling van een populatie, net zoals de sekse van een walvis dat doet. Omdat volwassen exemplaren groter zijn dan jongen, en vrouwtjes groter zijn dan mannetjes van gelijke leeftijd, geeft lengte in combinatie met sekse een idee over de leeftijd. Exacte leeftijd is bij walvissen echter lastig vast te stellen. Na de geboorte groeit een jong relatief snel, op latere leeftijd neemt de groei aanzienlijk af. Misschien groeien echt oude walvissen helemaal niet meer, maar daar is weinig over bekend.

      Bij tandwalvissen worden wel ringen geteld in de tanden om de leeftijd te bepalen, zoals jaarringen bij bomen, en ook bij andere zoogdieren wil dit trucje wel werken. Bij baleinwalvissen werkt de truc niet. Baleinwalvissen hebben geen tanden maar baleinen. Na de dood kunnen baleinen nog altijd informatie geven over waar een vinvis heeft gefoerageerd, maar baleinen groeien en slijten voortdurend, met name aan de top en het meten van de lengte geeft dus geen informatie over de leeftijd. Bij baleinwalvissen werkt wel het tellen van jaarringen in de wasachtige prop die de gehoorgang afsluit, maar dat is nogal een operatie en het is bovendien de vraag of dat bij een rotte walvis nog werkt. De gemakkelijkste methode is daarom om de lichaamslengte te meten. Dat geeft weliswaar geen absolute leeftijd, maar wel een relatieve: de lengte kan vergeleken worden met die van andere gestrande walvissen van dezelfde soort en zo kan in ieder geval worden vastgesteld of een gestrand exemplaar even oud, ouder of jonger was dan andere exemplaren.

      Meten is weten. Een walvis die in Nederland op het strand belandt is vaak rot en niet altijd meer compleet. Schatten lijkt dan uitkomst te bieden. Nu blijkt dat het correct schatten van de lengte van een walvis buitengewoon moeilijk is, en niet alleen op zee. De gewone vinvis van 22 september 2009 te Antwerpen werd, toen hij nog in het water maar in volle lengte gestrekt tegen de kademuur lag, geschat op 12 meter. Toen hij óp de kade lag en kon worden opgemeten met een meetlint, bleek hij 19 meter lang te zijn. De mensen die op de kade stonden, zaten er dus maar liefst ruim 60% naast, ook al stonden ze er met hun neus bovenop. Schattingen van een en dezelfde dode bruinvis op het strand lopen soms uiteen van 80 cm tot 140 cm, een verschil van ruim 50%, en dat terwijl men er met zijn of haar schoenpunten tegenaan staat.

      De database van walvisstrandingen.nl bevat nu gegevens van 42 gewone vinvissen. Van 29 daarvan is de lengte bekend (figuur 1). Hoe betrouwbaar die lengtes zijn weten we niet, omdat nooit vermeld wordt hoe een dode walvis is gemeten. De manier van meten lijkt een futiliteit, maar als het dier over het lichaam wordt gemeten, zoals bij deze potvis gebeurt, komt er een hoger getal uit dan de werkelijke lengte. Dit is de juiste manier. Een ander punt is dat in het verleden de maten werden opgegeven in de toen gangbare eenheden. Zo mat de gewone vinvis die op 17 september 1835 bij Wijk aan Zee werd aangeland '16 n. ellen lang (ruim 15 v. rijnl.)'. Het Nederlandse metrieke stelsel, waarbij de n. [=Nederlandse] el is gelijkgesteld aan een meter, was toen nog maar recent ingevoerd. Daarom is er voor de duidelijkheid bijgezet dat 16 Nederlandse ellen overeenkwam met 'ruim' 15 Rijnlandse voeten. Er waren in het verleden echter ook andere voeten in omloop en verwar dus de Rijnlandse voet vooral niet met al die andere voeten.

      Wat aan de maten van de Nederlandse gewone vinvissen opvalt is dat diverse lengtes uitkomen op een heel getal: van de 29 lengtes zijn er maar liefst veertien die op een heel getal eindigen (12 meter, 20 meter) en nog eens zes die op 50 centimeter eindigen (1750 cm). Al deze getallen zijn dus afgerond.

      figuur 1. Opgegeven lengtes van gewone vinvissen in Nederland, gestrand tussen 1791 en 2021. De vinvissen van voor 1950 (n=15) zijn in blauw weergegeven, die sinds 1950 (n=14) in oranje.

       

      Al deze mitsen en maren in aanmerking genomen, lijkt de verdeling van lengtes van de gewone vinvissen in Nederland min of meer normaal verdeeld te zijn. De meest gemelde lengte was 16 meter (vijf exemplaren), de kleinste 877 cm en de grootste 2400 cm. Het kleintje, van 877 cm, dateert van 2012 en is goed opgemeten. Dat laatste kan niet gezegd worden van het exemplaar van 2400 cm dat op 15 november 1914 nabij Hoek van Holland is gestrand. Van dit exemplaar is niet veel meer bewaard gebleven dan een borstbeen en wat baleinen. De lengte zou misschien teruggerekend kunnen worden aan de hand van deze restanten, maar dat onderzoek is vooralsnog niet uitgevoerd.

      Van de 42 gewone vinvissen zijn er 21 gesekst, een magere 50% dus. Verreweg de meeste (71%, 15 exemplaren) waren man. Voor 1950 was dit 67%, erna 75%. Door de tijd heen stranden er iets meer mannen, maar de steekproef is klein, dus we moeten daar niet te veel waarde aan hechten. Overigens kunnen we niet uitsluiten dat er, net als bij bruinvissen, bij het zien van een penis man is genoteerd, terwijl bij het niet zien van een penis is besloten de sekse in het midden te laten.

      Als we nog eens een blik werpen op (de kleine steekproef in) figuur 1, dan lijken de vinvissen van voor 1950 iets groter te zijn geweest dan die van na 1950. De gemiddelde gestrande gewone vinvis in Nederland meet 17 meter. Voor 1950 was dit bijna 19 meter (n=15), na 1950 15 meter (n=14). Vooral vrouwtjes lijken na 1950 kleiner te zijn geworden (tabel 1), maar als de lengte van 877 cm wordt weggelaten is er weinig verschil meer.

      tabel 1. Lengteverdeling per sekse (inclusief niet gesekste exemplaren) van in Nederland gestrande of per schip aangevoerde gewone vinvissen tussen 1791 en 2021 (n=29). De maten zijn ook uitgesplitst voor de periode voor en na 1950.

          man vrouw onbekend
      alles gemiddeld 1672 1582 2033
        spreiding 1160-2200 877-2300 1700-2400
        standaarddeviatie 309,6 515,4 275,1
        n 15 8 6
               
      <1950 gemiddeld 1833 1780 2033
        spreiding 1200-2200 1170-2200 1700-2400
        standaarddeviatie 367,0 489,2 275,1
        n 6 3 6
               
      >1950 gemiddeld 1565 1424 -
        spreiding 1160-1850 877-2300 -
        standaarddeviatie 223,7 530,6 -
        n 9 5 -

       

      Er blijven nog meer interpretatieproblemen over. Er is wel geopperd dat vinvissen in het verleden vaker spontaan in de buurt van Nederland voorkwamen. Of dat zo is, is de vraag, maar tegenwoordig zien we ze vooral op de boeg van grote schepen die via de Golf van Biskaje naar Nederland komen. Het is ook de vraag of de categorie aangevaren en per schip aangevoerde vinvissen wel representatief is voor wat er in de Golf van Biskaje rondzwemt. Zo zou het kunnen dat een kleiner exemplaar wendbaarder is en daarom minder vaak wordt aangevaren, dat een kleiner exemplaar juist vaker wordt aangevaren vanwege jeugdige onnozelheid, dat een kleiner exemplaar eerder van de bulb van een schip afglijdt, enzovoort.

      Nu terug naar het bericht van de NOS. Is de gewone vinvis van Texel van 2017 nou wél of niet de allergrootste ooit voor Nederland? Je zou in eerste instantie zeggen van niet: de opgemeten lengte was 1840 centimeter (niet 18 meter zoals in het NOS-artikel staat). Volgens figuur 1 zijn er dan 9 exemplaren langer. Bij prepareren van het skelet ontdekte de preparateur echter dat er bij Texelse gewone vinvis acht wervels ontbraken en dat er daarom maar liefst 5 meter bij de lengte opgeteld moet worden. Misschien dat de lengte van het gehele skelet nog eens kan worden opgemeten als hij eenmaal is opgesteld en dat uit de lengte van wervels, borstbeen, schedel of andere lichaamsdelen de lengte ook nog eens teruggerekend kan worden ter verificatie. Hoe dan ook, deze vinvis is waarschijnlijk niet de grootste die ooit in Nederland is gestrand, maar hij komt er heel dichtbij. De grootste is, zoals boven al is gezegd, die van november 1914 bij Hoek van Holland. Die mat 2400 cm, volgens de huidige gegevens dus 60 centimeter langer dan die van 2017. Die van 1914 is niet in zijn geheel bewaard, die van 2017 wél en daarmee is deze laatste de grootste ooit in Nederland gestrande én bewaard gebleven gewone vinvis. Het skelet zal als het schoon en in elkaar gezet is te bezichtigen zijn bij Ecomare op Texel. Voor de NOS is 60 centimeter onbelangrijk maar telt 5 meter wel! Of de grootste voor een vinvis zelf uitmaakt weten we niet. Een correct geméten lengte is wel van belang, want met een schatting kunnen we niet veel. Lengte doet er dus echt toe.

    • maandoverzicht januari 2022

      Gemiddeld stranden er in januari 34 walvissen en in januari 2022 was dat niet heel anders: het waren er nu 31. Andere soorten dan bruinvis zaten er dit keer niet tussen. Sinds 2006 was januari 2012 een 'topjaar' met 63 exemplaren, maar ook recenter was er nog een jaar met extreem hoge januari-aantallen, namelijk 2019 met 51 exemplaren. Daartegenover staat 2008 met slechts 9 bruinvissen, en uiteraard 'daljaar' 2015, toe in januari slechts 20 strandingen zijn gemeld.

      De Delta was in januari 2022 goed voor 4 bruinvissen, Zuid-Holland voor 7, Noord-Holland voor 10 en de Wadden eveneens voor 10 (Texel 2, Vlieland 5, Terschelling 2 en Ameland 1). Een dag met meerdere meldingen was 21 januari, toen 5 aangespoelde bruinvissen zijn gemeld. Vanaf de 16e draaide de wind naar noordwestelijke richting en op de 20e was de wind niet alleen aanlandig maar ook krachtig (5 Beaufort).

      Bijzonderheden zijn er nauwelijks te melden, of het moet de toename in verminkte bruinvissen zijn. Verse verscheurde bruinvissen, of 'losse onderdelen', zijn gevonden aan de noordkant van Walcheren, bij Wassenaar, IJmuiden, Castricum, Schoorl/Camperduin, en op Texel en Terschelling.

    • seks op het strand

      of: waarom het belangrijk is om van een dode bruinvis het geslacht te bepalen

      Sinds het eind van de jaren 1990 is de bruinvis in de zuidelijke Noordzee sterk toegenomen. Omdat de dood bij het leven hoort als de bruinvis bij de zee, is het niet zo vreemd dat de toename in onze wateren is gepaard gegaan met een toename van het aantal aangespoelde dieren (figuur 1). De oorzaak van de snelle toename is nog altijd niet goed begrepen. Omdat deze zo snel is gegaan, kan dit niet door natuurlijke aanwas zijn veroorzaakt. Het lijkt er eerder op dat de hele bruinvispopulatie in de Noordzee naar het zuiden is opgeschoven.

       

      figuur 1. Strandingen van bruinvissen in Nederland van 1900 tot en met 2021 (linker y-as, n=11.013). De getrokken lijn geeft het percentage mannetjes aan (rechter y-as, n=5840).

       

      Een dode bruinvis biedt mogelijkheden tot onderzoek dat niet aan levende dieren gedaan kan worden, zoals het vaststellen van de sekse. Vaststellen van de sekse is belangrijk om de opbouw van de populatie beter te begrijpen. Het is niet bekend hoe de natuurlijke sekseverhouding van een gezonde bruinvispopulatie eruitziet. Het enige wat we kunnen doen om daar achter te komen is om stelselmatig de sekse van aangespoelde dieren te noteren. Verandering in die sekseverhouding geeft misschien inzicht in hoe het de populatie vergaat.

      Aan het begin van de twintigste eeuw was de bruinvis hier algemeen, maar waarnemingen werden toen niet systematisch verzameld, ook niet door Van Deinse. Dankzij enkele personen, met name Fokko Niesen en Henk Kortekaas, zijn uit de periode van 1930 tot 1970 gegevens van tientallen dieren per jaar beschikbaar, waaronder de sekse. Van Deinse begon pas gegevens van dode bruinvissen te noteren vanaf 1952, maar toen was de soort hier al schaars geworden. Opvallend is dat met de daling van de populatie ook het aandeel aangespoelde mannetjes afnam. We kunnen alleen gissen naar het achterliggende mechanisme.

      Naarmate de bruinvis weer algemener werd, vanaf het eind van de jaren 1980, nam het aandeel aangespoelde mannetjes opvallend genoeg weer toe. Sinds het jaar 2000 daalt het percentage mannetjes heel geleidelijk, van meer dan 60% net na 2000 tot onder de 50% in 2021 (figuur 2). Het aantal dieren waarop de percentages zijn gebaseerd bedraagt steeds 120 dieren of meer. Toch is niet duidelijk of deze afname reëel is. De indruk bestaat namelijk dat het aandeel vrouwtjes stelselmatig wordt onderschat.

       

      figuur 2. Percentage aangespoelde mannetjes bruinvis van 2001 tot en met 2021 (n=5157).

       

      Het seksen van een bruinvis is eenvoudig als je eenmaal een paar dieren van beide geslachten hebt gezien: bij het mannetje ligt de genitale spleet ver van de anus en ongeveer recht onder de rugvin, bij het vrouwtje ligt de genitale spleet veel dichter bij de anus – ongeveer tussen de rugvin en de staartvin. Bovendien zijn bij een vrouwtje aan weerszijden van de genitale spleet twee kleine spleetjes zichtbaar. Dit zijn de tepelspleten, met diep daarin verborgen de tepels (figuur 3). Soms moet je wel wat moeite doen om de tepelspleten te zien.

       

      figuur 3. Verschil tussen mannetje en vrouwtje bruinvis. Bij het vrouwtje ligt de geslachtsopening, of genitale spleet, dichtbij de anus, bij het mannetje ligt die ongeveer onder de rugvin.

       

      Een bruinvis heeft een lichaamstemperatuur die gelijk is aan die van mensen, dus ongeveer 37°C. Dankzij de speklaag is de isolatie uitstekend en ook bij een dode bruinvis blijft de warmte goed in het lichaam. Als het dier dood is, gaat het daarom snel rotten. Door vorming en ophoping van gassen wordt bij een mannetje vervolgens de penis uit de genitale spleet gedrukt. Dit gebeurt soms al binnen een dag. Als een bruinvisvinder een penis ziet, is de sekse natuurlijk gemakkelijk vast te stellen. Is er geen penis zichtbaar, dan is een vinder soms in twijfel en wordt er op het meldformulier geen melding van de sekse gemaakt. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat het aandeel mannetjes in de meldingen daarom oververtegenwoordigd is.

      Omdat vrijwel iedereen tegenwoordig een digitale camera heeft, bijvoorbeeld op de telefoon, gaan vrijwel alle meldingen tegenwoordig vergezeld van foto's. De toename in digitale foto's bij de bruinvisstrandingen is vooral sinds 2005 duidelijk. Als de vinder ook de buik op de foto heeft gezet, is het voor de databasebeheerder meestal mogelijk om de sekse alsnog vast te stellen. Veel ongesekste bruinvissen blijken vrouwtjes te zijn. Dit is dus een alternatieve verklaring waardoor het aandeel vrouwtjes langzaam is toegenomen. Helaas kunnen we van meldingen zonder foto nooit meer de sekse vaststellen of controleren. Het aanleveren van een foto waarop de buik zichtbaar is, is dus heel belangrijk, want dan kan altijd, ook in de verre toekomst, de sekse nog worden gecontroleerd.

      Hieronder staan enkele voorbeelden van foto’s waarop de bruinvissen niet te seksen zijn, en foto's waarbij dat wel mogelijk is.

      Twee voorbeelden van bruinvissen die vanaf een foto gemakkelijk gesekst hadden kunnen worden als ze even op hun kant waren gedraaid, maar waarbij dat niet is gebeurd.

       

      Verse bruinvis, op de kant gedraaid om te seksen en fotograferen. De navel en anus zijn met rode cirkels aangegeven. Duidelijk een mannetje, te zien aan de genitale spleet die tegen de navel aan ligt.

       

      Een voorbeeld van een rottende bruinvis waarbij de penis naar buiten is gedrukt door gasvorming in de buikholte. Bij alle lichaamsopeningen is de huid dunner en scheurt deze gemakkelijk. Dat is hier ook gebeurd bij de navel. Meeuwen 'weten' dit en beginnen vaak op dergelijke dunne plekken te pikken. Zo'n andere dunne plek is rond de ogen.

       

      Een bruinvis hoeft niet vers te zijn om hem te kunnen seksen, maar dit is wel een extreem voorbeeld. Van deze bruinvis is vrijwel niets over behalve de wervelkolom, een beetje huid rondom de staartwervels en .... de penis, hier aangegeven met de rode cirkel. Een penis bestaat voor een groot deel uit bindweefsel. Dat is taai en verteert veel moeilijker dan bijvoorbeeld huid en spierweefsel.

       

      Een schoolvoorbeeld van een vrouwtje. Doordat er zand in de krassen en lichaamsopeningen is blijven zitten, zijn zowel de genitale spleet als de tepelspleten erg goed zichtbaar. De anus, precies op de rand van het zand, is met moeite zichtbaar.

       

      Door gasvorming is de genitale spleet wat verder geopend en duidelijk zichtbaar. De melkklierspleten, aangegeven met twee rode cirkels aan weerszijden, zijn lastig zichtbaar. In de rode cirkel erachter is de anus zichtbaar. De twee donkere plekken midden op de buik geven misschien de positie van de navel aan, die eigenlijk niet te zien is. Bij een mannetje zou de genitale spleet daar net achter zitten.

       

      Naarmate een vrouwtje verder rot, ontstaat er een ondefinieerbare uitpuilende massa bij de genitale spleet. De melkklierspleten zijn niet meer zichtbaar. De navel is aangeduid met de rode cirkel. Bij een mannetje zou de genitale spleet daar direct achter zitten.

       

      Een gemeen geval. Door het 'roze object' ongeveer halverwege de buik zou je kunnen denken dat dit de penis is die uitpuilt. Dat is niet het geval, want verder naar achteren, in de rode cirkel, is de genitale spleet zichtbaar. Vanwege de plek daarvan is dit met zekerheid een vrouwtje. De uitpuilende roze massa zijn de ingewanden die op de plek van de navel naar buiten komen.

      Vindt u een aangespoelde bruinvis, meld het via het formulier op www.walvisstrandingen.nl. Het is mogelijk om foto’s aan te hechten, maar deze kunnen ook worden gemaild aan guido.keijl@naturalis.nl. Rol een bruinvis eventueel met uw voet om en maak meerdere foto’s. Zowel uw melding als uw foto’s worden zeer op prijs gesteld.