Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2022

    Nieuws 2021

    • jaaroverzicht 2021

      Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: het jaartotaal gestrande walvissen in Nederland over 2021 is met 721 exemplaren flink hoger uitgekomen dan de totalen in de jaren ervoor. Sterker nog: alleen de jaartotalen van 2011, 2012 en 2013 waren hoger. Het lag dan ook in de lijn der verwachting dat het jaartotaal lager zou uitkomen. Vanaf 2000 lopen de jaartotalen op tot een piek, die gevormd wordt door de totalen van 2011-2013 (figuur 1). De genoemde 'lijn der verwachting' is de sinds die jaren gestaag dalende lijn. Uiteraard moet alles door de oogharen worden bekeken. Gemeten vanaf 2006 lag tot en met 2020 het jaargemiddelde op 570, inclusief 2021 is dat gestegen naar 579 (de zwarte stippellijn in figuur 1). Het hoge aantal is sterk beïnvloed door de nog betrekkelijk vers in het geheugen liggende massastranding van bruinvissen in augustus-september. Hoewel je zou kunnen beargumenteren dat het zinloos is om strandingen bij te houden, omdat de aantallen toch steeds anders zijn dan de meerjarige trend laat zien, is het registreren van strandingen bijvoorbeeld nuttig als het gaat om het constateren en interpreteren van uitzonderlijke gebeurtenissen, zoals genoemde massastranding in de nazomer. De registratie kan dus gezien worden als een vinger aan de pols.

      figuur 1. Strandingen van bruinvissen (oranje) en andere walvissoorten (blauw) tussen 2000-2021. De stippellijn is het gemiddelde over 2006-2020.

       

      bijna een derde

      Onder de walvissen zijn bruinvissen de enige vaste bewoners van de Nederlandse kustzone. Toch stranden er naast bruinvissen regelmatig andere walvissoorten. Deze leven ofwel wat verder op de Noordzee, ofwel komen hier alleen als dwaalgast voor. Tot heden zijn er maar liefst 25 verschillende soorten op onze kust gevonden. Dit is een bijna ongeloofwaardig hoog aantal als je bedenkt dat er in de wereld maar zo'n 90 walvissoorten bekend zijn. Daarvan is dus maar liefst bijna een derde in ons kleine landje vastgesteld. Een van de 25 soorten, de grijze walvis, is alleen als subfossiel botmateriaal bekend en tien andere soorten zijn maar een tot drie keer gevonden. Dat laat nog 14 soorten over die vier keer of vaker zijn aangespoeld. In ieder geval van die 14 soorten zou je kunnen stellen dat Nederland tot hun natuurlijke verspreidingsgebied behoort, ook al is het slechts het uiterste randje. De zeldzaamste is grijze dolfijn met 6 gevallen. De laatste vondst van een grijze dolfijn is overigens al een halve eeuw geleden. Hoe langer geleden, des te groter de kans dat er weer eens een strandt, want de soort komt wel in de buurt voor (Schotland, Ierland), iets wat je van grijze walvis niet meer kunt zeggen. Grijze dolfijn wordt gevolgd door bultrug met 7 gevallen. De eerste bultrug voor Nederland is in 2003 gevonden en is dus, in tegenstelling tot grijze dolfijn, een nieuwkomer. Het voorkomen van bultruggen in Nederlandse wateren wordt wel in verband gebracht met het stoppen van de jacht op deze soort. Hierdoor is de populatie weer gegroeid en daarmee ook de kans dat er weer eens eentje in de Noordzee verzeild raakt. Dat kan echter niet de enige verklaring zijn. De laatste jaren worden met enige regelmaat bultruggen voor de kust gezien die het hier prima naar de zin lijken te hebben. De laatste stranding van een bultrug dateert alweer uit 2012, maar sinds dat jaar zijn er, met uitzondering van 2014 en 2020, jaarlijks waarnemingen van deze spectaculaire soort gedaan, nota bene vanaf de kust. Laten we hopen dat bultruggen de zuidelijke Noordzee nog vaak bezoeken, maar een stranding een zeldzaamheid blijft.

       

      bijzondere soorten in de lift?

      Inclusief bruinvis strandden er sinds 2000 gemiddeld jaarlijks bijna 6 verschillende walvissoorten op de Nederlandse kust. Uitschieters naar boven waren 2014 en 2017 met elk 9 soorten, uitschieter naar beneden 2002 met 3 soorten (figuur 2). Daarnaast zijn er zes jaren met slechts 4 verschillende soorten, waarvan de meest recente jaren 2018 en 2019 zijn. In het jaaroverzicht van 2017 is een grafiekje gegeven met het aantal verschillende niet-bruinvissen per jaar sinds 1990. Daarin was een stijgende lijn te zien. Dezelfde figuur is hieronder opnieuw gegeven (figuur 2), nu vanaf 2000 en inclusief bruinvis. Het zal duidelijk zijn dat het totale aantal aangespoelde soorten in Nederland nooit zal stijgen tot 90, en 9 per jaar lijkt vooralsnog het 'maximaal haalbare'. Het is dus geen vraag óf de lijn in figuur 2 horizontaal gaat ombuigen of horizontaal wordt, maar het is wel leuk om te kijken wannéér dat gebeurt. Hoewel het dus veelal gaat om soorten die niet in de buurt van de Nederlandse kust of zelfs maar in het Nederlandse deel van de Noordzee voorkomen, is het in het licht van veranderingen in het zeemilieu toch de moeite om dit te blijven volgen. De tegenwoordig veel besproken veranderingen in het klimaat spelen een rol, vooral de opwarming, en de daarmee gecorreleerde veranderingen zoals voedselsamenstelling en zeestromingen. Ook de toenemende drukte op de Noordzee kan van invloed zijn, denk maar eens aan de op schepen aangevoerde vinvissen.

      figuur 2. Aantal verschillende soorten per jaar sinds 2000, inclusief bruinvis.

       

      De meeste niet-bruinvissen in de walvisstrandingendatabase strandden in de maanden november, januari, juli en augustus, oftewel in midwinter en midzomer. De strandingen in deze vier maanden maken ze ruim 44% van het totaal uit (figuur 3 links). Sinds 2000 is dat beeld subtiel veranderd (figuur 3 rechts). Het meest opvallende is dat de piek in juli-augustus is verdwenen. November tot en met januari zijn nog steeds belangrijke strandingsmaanden voor bijzondere soorten, maar juli is nu, samen met februari en oktober, de maand geworden met de minste bijzondere soorten. Nu strandt 46% van het totaal in november-januari en april. De verschuiving heeft vooral te maken met de sterke afname van tuimelaar. De soort is vrijwel verdwenen, want het aandeel tuimelaar zakte van 37% voor 2000 (figuur 3 links) naar 2% erna (figuur 3 rechts). Andere soorten die als strandvondst flink zijn afgenomen zijn gewone dolfijn (van 10% naar 4%) en witsnuitdolfijn (van 24% naar 17%). Samen maakten deze drie over de gehele periode bezien ruim 62% van het totaal uit, maar sinds 2000 is hun gezamenlijke aandeel gezakt naar nog geen 20%. Het aandeel van de 'overige soorten' tussen de periodes is gestegen van een 33% naar bijna 60%, niet alleen dankzij de afname van genoemde drie soorten, maar ook in absolute zin. Het gemiddelde aantal aangespoelde exemplaren in de jaren 1990 zonder gewone dolfijn/tuimelaar/witsnuitdolfijn was 3, in 2000-2009 was dat 4, in 2010-2021 is het gestegen naar 6. Dankzij de afname van gewone dolfijn/tuimelaar/witsnuitdolfijn is het relatieve belang van gewone vinvis toegenomen (van 3% naar 5%). Andere bescheiden stijgers zijn potvis (van 3% naar 5%) en dwergvinvis (van 4% naar 6%). Witsnuitdolfijn staat, gerekend vanaf 2000, nog steeds in de rij van dominante soorten, maar is er inmiddels allang uitgevallen. In 2000-2009 zijn er namelijk 48 exemplaren aagespoeld, maar sinds 2010 is dat gedaald naar slechts 9, in de laatste acht jaar naar 2. Er verschuift dus het nodige in de soortensamenstelling, maar het is een kwestie van een lange adem om de veranderingen vast te stellen.

      figuur 3. Cumulatieve aantal strandingen van alle walvissen in Nederland per maand, zonder bruinvissen. In de linker grafiek staan de strandingen van 1255 tot en met heden, in de rechter alleen strandingen sinds 2000. Dwergvinvis, gewone dolfijn, tuimelaar en witsnuitdolfijn maken in een van beide periodes 5% of meer van het totaal uit en zijn daarom met een kleurtje weergegeven.

       

      in 2021 alleen 'gewone zeldzaamheden'

      De laatste nieuwe soort voor Nederland die aanspoelde dateert alweer uit 2005 en betrof de spitssnuitdolfijn van De Blainville op Ameland. Het is dus niet verwonderlijk dat er in 2021 geen nieuwe soorten voor Nederland zijn vastgesteld. Ook zijn er geen soorten gevonden die extreem zeldzaam zijn. Anders gezegd: er zijn dus alleen maar 'gewone zeldzaamheden' gemeld. Dit waren er 8, gezamenlijk dus ruim 1% van het totale aantal aangespoelde walvissen, maar wel boven het gemiddelde van 5,7. Grafisch weergegeven zijn deze bijzondere soorten niet meer dan het dunne blauwe streepje bovenop de oranje staaf in figuur 1. Toch waren ze stuk voor stuk weer de moeite waard, omdat het nu eenmaal bijzonder is om walvissen anders dan bruinvissen in onze omgeving te zien, om ze van dichtbij te bekijken, en om de gelegenheid te krijgen meer over ze te leren. Dat laatste is gebeurd: bijna alle dieren zijn onderzocht door de walvisonderzoekers in Utrecht en Den Helder. Alleen de potvis en de gewone vinvis zijn op het strand onderzocht omdat deze dieren te groot zijn om in hun geheel te vervoeren. De dwergvinvis lag op de Razende Bol en is niet onderzocht, maar wel verzameld.

      Slechts de helft van de gestrande walvissen hield zich netjes aan de recente trend die boven is geconstateerd, namelijk dat de kans op stranden het grootst is in de wintermaanden en in april-mei. Vier van de 8 zijn in deze wintermaanden gevonden, van elk een: een potvis in januari, een dwergvinvis in april, een (waarschijnlijk gewone) dolfijn in november en een tuimelaar in december. De andere helft hield zich niet aan de trend en strandde in juli (gewone vinvis), augustus (witflankdolfijn) en oktober (2 gewone spitssnuitdolfijnen).

      De potvis strandde op 7 januari levend op de Vliehors, op Vlieland. Het was alweer nummer 81 van deze soort voor Nederland en de vijfde voor Vlieland. Het verhaal van potvissen in Nederland en de zuidelijke Noordzee is inmiddels welbekend. Potvismannetjes trekken in het late voorjaar naar het Noordpoolgebied om daar te genieten van de rijke zomerdis. In het late najaar trekken ze weer naar het zuiden. Misschien volgen ze de rand van het continentaal plat. Als ze ter hoogte van Zuid-Noorwegen via het Faeröer-kanaal – de geul tussen Schotland/Shetland en de Faeröereilanden – stug zuidwaarts willen zwemmen, kunnen ze door een tijdelijke storing in het aardmagnetisch veld gedesoriënteerd raken en per ongeluk linksaf de Noordzee in zwemmen. In de zuidelijke Noordzee kunnen ze zich vanwege de glooiend oplopende en zandige zeebodem niet goed oriënteren. Waardoor ze dan precies op de kust belanden (je zou immers zeggen dat ze kunnen omkeren als ze in de gaten krijgen dat het water te ondiep wordt) is onduidelijk. Misschien raken ze in ondiep water wel in paniek en volgen ze hun 'zuidwaarts'-gevoel. Hoewel het een spectaculair gebeuren blijft, is het zeker geen unicum, want massastrandingen van potvissen in het Noordzeegebied zijn al eeuwenlang bekend. De oudste bekende potvisstrandingen in Nederland zijn tevens de oudste in de database en dateren beide van 1255. De grootste geregistreerde stranding ooit vond plaats in januari 2016. Binnen enkele weken strandden er toen 30 potvissen in het hele zuidelijke Noordzeegebied. Op Texel strandden toen 6 potvissen en in Nederland ook alleen maar daar. Dit op zich is al bijzonder, want vlakbij Texel liggen de Razende Bol en Vlieland, maar daar zijn toen dus geen potvissen gestrand. Onderzoek aan vijf van de zes dieren toonde aan dat ze in goede gezondheid waren en dat er geen aanwijzing was dat menselijk handelen de oorzaak was voor het stranden. Het hele potvisstrandingscircus was dus een puur natuurlijke gebeurtenis.

      Als we alle potvisstrandingen in Nederland nog eens op een rij zetten, zijn Zeeland en de westelijke Waddenkust (Texel-Vlieland) elk goed voor 23% (figuur 4). De meeste (30%) zijn gevonden aan de kust van Zuid-Holland, de minste (8%) in Noord-Holland. De kustlengte van Zuid-Holland maakt 23% uit van de totale Nederlandse kustlengte, Texel-Vlieland samen 15%, Noord-Holland 17%. In Zuid-Holland zijn dus iets meer potvissen gestrand dan je op grond van de kustlengte kan verwachten, terwijl Noord-Holland opvallend laag scoort. In Noord-Holland stranden iets meer potvissen in de zomermaanden dan in de winter, net als in het oostelijke waddengebied (Terschelling-Rottum). Misschien dat zomerse potvissen meer rondlummelen – er is dan nog geen trekdrang – en dat de plek van stranden in die tijd echt een toevalstreffer is, terwijl in de winter de dieren een zuidelijke koers willen varen. Texel-Vlieland en de Zuid-Hollandse kust maken dan vanwege hun noordwest-expositie een iets grotere kans een potvis te ontvangen. In dit bericht is meer te lezen over strandingen van potvissen en een verdeling over de eeuwen.

      figuur 4. Potvisstrandingen (in procenten) op de verschillende deelgebieden van de Nederlandse kust, verdeeld tussen zomer (n=19 exemplaren) en winter (n=56).

       

      De dwergvinvis is op 14 april LINK gevonden op de Razende Bol. Het was nummer 48 in de reeks 'sinds ooit' en alweer de 14e sinds 2010. Omdat het een oud kadaver betrof, was het niet meer mogelijk de maaginhoud te verzamelen of naar parasieten te zoeken, maar het skelet is veiliggesteld door Ecomare. Sinds 1986 worden aangespoelde dwergvinvissen vaker gerapporteerd. Zie ook dit bericht voor meer informatie over dwergvinvissen in Nederland en kijk nog eens hier om te zien hoe het het kadaver op Rottumerplaat vergaat.

      De gewone vinvis van 27 juli in Terneuzen is op de bulb van een schip aangevoerd. Dit lijkt tegenwoordig een standaardwijze om gewone vinvissen naar Nederland te vervoeren. Ditmaal viel de eer van aanlanding te beurt aan Terneuzen. De omgeving van Rotterdam valt iets vaker in de prijzen: 8 keer sinds 2000, tegen 5 keer rond Vlissingen/Terneuzen, waarschijnlijk omdat in Rotterdam meer schepen aanmeren. Sinds de oudste gewone vinvis van 1306 zijn er tot 2000 26 gemeld. Sinds 2000 zijn dat er nog eens 16. Van deze 42 is er maar 1 die ons land levend heeft bereikt. Dit betrof overigens ook een dramatische gebeurtenis, want dat dier had zich, waarschijnlijk in paniek, klem gezwommen en vond zijn einde tussen de meerpalen in de Sloehaven te Vlissingen. Zie ook dit bericht voor meer informatie over gewone vinvissen in Nederland.

      De schedel van de dolfijn die op 28 november bij Westenschouwen is gevonden is nog niet schoon en kan daarom nog niet op naam worden gebracht. Hij leek het meest op een gewone dolfijn, maar bijvoorbeeld gestreepte dolfijn kan nog niet worden uitgesloten. Gerekend vanaf 1900 telt de database van gewone dolfijn 94 exemplaren, van gestreepte dolfijn 13. Die verhouding is 1:7 en je zou dus zeggen dat de kans op een gewone dolfijn veel groter is. Sinds 2000 is de verhouding echter 1:1,9 geworden. Hou ze dus in de gaten, die (gestreepte) dolfijnen.

      Tuimelaar en gewone dolfijn zijn soorten die hier ofwel vroeger een permanente populatie hadden (tuimelaar), ofwel een tijdelijke (gewone dolfijn). Beide raken bij tijd en wijle nog altijd levend in Nederland verzeild en beide spoelen hier ook nog weleens aan. Een kleine analyse van gewone dolfijn is al eerder gemaakt, zie daarvoor het jaaroverzicht van 2020 en figuur 3 (boven). Voorlopig is daar niet veel aan toe te voegen.

      De tuimelaar van 4 december bij Scherpenisse staat nog vers in het geheugen. De vorige tuimelaar strandde op 12 mei 2020 bij Wijk aan Zee. Dit betrof 'Zafar', die aan zijn eind is gekomen na een aanvaring. Over dramatische gebeurtenissen gesproken! De twee andere recentste tuimelaars, afgezien van botvondsten, waren die van 2007 en 2013. Het exemplaar van 2021 was nummer 355 voor ons land. Sinds 1900 is, wederom door de oogharen bekeken, een piek in het aantal aangespoelde tuimelaars te zien in de tweede helft van de jaren 1930, waarna de aantallen langzaam dalen en na ongeveer 1980 abrupt stoppen (figuur 5).

      figuur 5. Strandingen van tuimelaars op de Nederlandse kust vanaf 1900 tot en met 2021 (n=354). Botvondsten zijn niet meegerekend.

       

      We weten dat tuimelaars in het verleden in de zuidelijke Noordzee voorkwamen en in de nazomer in de Zuiderzee op de Zuiderzeeharing jaagden. Toen de Afsluitdijk in mei 1932 werd voltooid, was het afgelopen met de Zuiderzeeharing. De tuimelaars in de Noordzee hebben het daarna nog tientallen jaren volgehouden. Zelfs nog na 1967 strandden er vrijwel jaarlijks een of twee exemplaren, maar dat hield na 1983 op. Tuimelaars planten zich voort vanaf een leeftijd van ongeveer 8 (mannetje) tot 10 (vrouwtje) jaar en kunnen in het wild ongeveer 50 jaar oud worden. De dieren die in 1930 net aan voortplanten toe waren zijn, als ze inderdaad die maximale leeftijd zouden hebben bereikt, rond 1980 aan hun eind gekomen. Misschien dat de tuimelaars die rond 1980 zijn gestrand wel de laatste Zuidelijke-Noordzeetuimelaars geweest. Bij de tuimelaar die in 1979 strandde staat vermeld 'seniel adult wijfje'. De enkele tuimelaar die na 1983 is gestrand, kunnen we bestempelen als echte zwervers van elders.

      Hoewel er ook voor 1970 in alle maanden van het jaar tuimelaarstrandingen plaatsvonden, was de soort toen een typische nazomerstrander: in slechts drie maanden, juli-september, werd 44% in die periode gemeld (figuren 3 en 6). Na 1970 is dit aandeel lager (33%) en zijn er vooral in mei, juni en augustus wat meer strandingen. Het aantal gestrande tuimelaars sinds 1970 is echter erg klein, slechts 24 exemplaren. Dat betekent dat na 1970 in negen maanden van het jaar maar 1 of 2 exemplaren zijn gestrand en alleen in augustus 5 stuks. Recent is aangetoond dat (levende) tuimelaars in Nederland niet alleen uit het Kanaal komen, zoals Zafar, maar ook uit de noordelijke Noordzee.

       

      figuur 6. Percentage strandingen van tuimelaars per maand, opgedeeld in de periode voor (n=330) en na (n=24) 1970.

       

      Interessant is dat het percentage tuimelaarmannetjes met het afnemen van de populatie aanmerkelijk is veranderd. Voor 1933 was het 57%, na 1970 zijn mannetjes erg zeldzaam geworden en stranden er vooral vrouwtjes (figuur 7). Het kan toeval zijn, maar onder de 8 levende gefotografeerde tuimelaars van bekende sekse in genoemd artikel waren er 6 vrouw.

       

      figuur 7. Percentage gestrande tuimelaarmannetjes voor het dichten van de Afsluitdijk in mei 1932 (n=84), tussen 1933 en 1970 (n=246), en in de periode erna (n=24).

       

      BRUINVIS

      minder dan normaal, maar veel op de Wadden

      Wat bruinvisstrandingen betreft begon 2021 heel voorzichtig, met aantallen van minder dan de helft van het gemiddelde (figuur 8). De maartpiek, goed te zien in de blauwe lijn in figuur 8, was afwezig. Normaal strandt 9% van het jaartotaal in maart, in 2021 was dat maar 4%. Hoewel het niet nader is onderzocht, lijkt het erop dat de maartpiek veelal wordt veroorzaakt door bruinvissen die slachtoffer zijn geworden van grijze zeehonden. De Kop van Goeree is vaak 'goed' voor tientallen verscheurde bruinvissen. In de Delta was het aantal aangespoelde bruinvissen in maart 2021 juist opvallend laag. Ook de rest van het jaar bleven de aantallen daar achter: gemiddeld stranden in de Delta 165 bruinvissen per jaar, in 2021 waren dat er maar 95. Naast een laag aantal in maart week ook mei 2021 wat af, maar dan met hogere aantallen dan normaal. Meestal zijn de aantallen in mei een fractie lager dan in april, maar dit jaar waren ze twee keer zo hoog (gemiddeld 38, maar in 2021 50), met name aan de Hollandse kust. Misschien was het te danken aan de frequent optredende harde aanlandige wind. Vanaf juni leek alles weer 'rechtgetrokken'.

       

      figuur 8. Strandingen van bruinvissen in 2021 per maand (oranje staven, n=713) en het maandelijkse gemiddelde over 2006-2020 (blauwe lijn, n=8405).

       

      Langs de Hollandse kust strandden in 2021 ongeveer drie kwart minder bruinvissen dan gemiddeld, maar in het Waddengebied was het meer dan twee keer hoger. Dit resulteerde in een kilometergemiddelde van 1,89 voor de hele Nederlandse kust, aanzienlijk hoger dan het meerjarig gemiddelde van 1,49. Aan het grote paarse vlak in figuur 9 is te zien dat dit geheel op het conto komt van de Wadden en het is uitsluitend te wijten aan de massastranding in augustus-september. In augustus lag daar gemiddeld één bruinvis op 500 meter strand, normaal is dat één bruinvis per vijf kilometer.

       

       

       

      figuur 9. Aandeel gestrande bruinvissen in 2021 voor de vier deelgebieden Delta (D, blauw, n=95), Zuid-Holland (ZH, rood, n=78), Noord-Holland (NH, groen, n=64) en Wadden (W, paars, n=475), vergeleken met de periode ervoor (2006-2020, n=8404). De getallen geven het gemiddelde per kilometer kustlijn per jaar.

       

      Hoe interessant de strandingen van de bijzondere soorten ook waren, de massastranding die zich afspeelde in een periode van bijna drie weken was dé gebeurtenis van het jaar. Er is al eerder over geschreven. De data en getallen zijn na schrijven van dat verhaal iets bijgesteld (zo begon de massastranding al op 18 augustus in plaats van op de 23e) maar de grote lijnen blijven overeind. Alleen in augustus 2021 is maar liefst ruim 35% van het jaartotaal bruinvissen aangespoeld. Gemiddeld is dat 13%. Zonder de massastranding zou het landelijke aantal over 2021 rond de 530 exemplaren zijn uitgekomen, een stuk onder het meerjarig gemiddelde dus (de stippellijn in figuur 1).

      Voor degenen die het nog niet hadden meegekregen, is dit bericht het lezen waard. In vergelijking met andere bruinvismassastrandingen was de bacterie-met-de-onuitspreekbare-naam (Erysipelothrix rhusiopathiae) de afwijkende factor. De bacterie veroorzaakt bloedvergiftiging en is daarom vrijwel zeker de doodsoorzaak. Er blijven echter nog talloze vragen over, bijvoorbeeld hoe die bacterie in bruinvissen is terechtgekomen, waarom het nu is opgemerkt maar nooit eerder, en waarom vooral volwassen vrouwtjes zijn getroffen? Je vraagt je af of de bacterie tijdens grote strandingen in andere jaren niet over het hoofd is gezien, en of het misschien niet toch een terugkerend fenomeen is, dat alleen nu zo duidelijk is geweest dankzij de aanhoudende en harde noordenwind. Andere jaren met een massastranding in de zomer waren bijvoorbeeld juli 2020, toen in een maand tijd bijna 28% van het jaartotaal strandde, en augustus 2011, toen dat bijna 24% was.

      sekse en leeftijd

      In 2021 is van 387 bruinvissen de sekse genoteerd, 54% van het totaal. Het aandeel mannetjes (51%) was nagenoeg gelijk aan het aandeel vrouwtjes en week daarmee sterk af van normaal, want meestal ligt het dichtbij de 60%. Ook zonder het lage percentage mannetjes van 2021 daalt het aandeel mannetjes, om nog onbekende redenen, al jaren. Hoewel een hypothese is dat veel bruinvismelders vrouwtjes moeilijker herkennen dan mannetjes, is dit toch niet heel gemakkelijk om te geloven. Er worden al jaren foto's gemaakt van dode bruinvissen (zie figuur 13 in jaaroverzicht 2020), dus het aantal vanaf de foto te seksen bruinvissen per jaar lijkt groot genoeg voor een reële steekproef. Alleen in 2015 was de steekproef betrekkelijk klein (155 gesekste dieren, gemiddeld in andere jaren 286).

      Een belangrijke boosdoener voor het lage aandeel mannetjes was natuurlijk de massastranding, waarbij vooral volwassen vrouwtjes waren betrokken. Dit blijkt ook uit figuur 10: in het Waddengebied is het aandeel mannetjes in 2021 zelfs gedaald tot 45%, terwijl het in de andere deelgebieden 'gewoon' rond de 60% ligt. In september 2021 was het percentage mannetjes zelfs nog lager (34%) dan in augustus, terwijl de steekproef met 61 gesekste bruinvissen vrij redelijk was.

      figuur 10. Aandeel gestrande mannetjes (%) in 2021 voor de vier deelgebieden Delta (D, blauw, n=76), Zuid-Holland (ZH, rood, n=48), Noord-Holland (NH, groen, n=38) en Wadden (W, paars, n=225), vergeleken met de periode ervoor (2006-2020, n=4287).

       

      Natuurlijk had de massastranding van dit jaar, met vooral volwassen vrouwen, zijn weerslag op de lengteverdeling van de gestrande bruinvissen (figuur 11). Sinds 2006 meet de gemiddelde bruinvis 116 cm, in 2021 was dat 130 cm. De verdeling is door het grote aantal volwassen vrouwen dus behoorlijk scheef getrokken. Anderzijds, als we deze figuur vergelijken met die van 2020, is het beeld niet heel anders. Misschien iets om nog eens in te duiken.

       

      figuur 11. Lengteverdeling (in cm) van bruinvissen in 2021 (oranje staven, n=287) in vergelijking met alle bruinvissen over 2006-2020 (in procenten, blauwe lijn, rechter y-as, n=4402).

       

      dankwoord

      Uiteraard had dit overzicht niet geschreven kunnen worden zonder de hulp van de 342 verschillende melders. Dank aan allen. U realiseert het zich vermoedelijk niet, maar door melding met foto te maken draagt u niet alleen maar bij aan dit jaaroverzicht. Het jaaroverzicht is niet meer dan een momentopname van een monitoringonderzoek naar voorkomen en ecologie van walvissen in de zuidelijke Noordzee dat al in 1915 is begonnen. De strandingsgegevens zijn inmiddels verwerkt in tientallen meer of minder wetenschappelijke publicaties. Ook worden ze gebruikt voor bijvoorbeeld het Compendium voor de Leefomgeving en wet- en regelgeving, zowel de Nederlandse als de internationale. Wat velen zich ook niet realiseren is dat uitgerekend de mensen die nú buiten rondlopen en genieten van de natuur, in de gelegenheid zijn om gegevens verzamelen die bijdragen aan het vastleggen van de snelle veranderingen zoals die tegenwoordig plaatsvinden. Geniet van het buitenzijn en ga vooral zo door!

      Dit bericht is ook te downloaden als pdf.

      Guido Keijl, Naturalis

       

    • maandoverzicht december 2021

      In december zijn 26 dode walvissen gemeld: 25 bruinvissen en 1 tuimelaar. Het aantal is iets lager dan het meerjarig gemiddelde voor december, dat op 29 ligt. November en december liggen qua aantal aangespoelde dieren onder normale omstandigheden dicht bij elkaar. Dat was dit jaar dus ook het geval.

      De strandingen waren als volgt over het land verdeeld: Deltagebied 4, Zuid-Holland 4, Noord-Holland 3 en Waddengebied 15 (Texel 4, Vlieland 2, Terschelling 3, Ameland 3, Schiermonnikoog 3).

      De tuimelaar strandde op 4 december bij Scherpenisse, diep in de Oosterschelde op Tholen. Het solitaire dier werd voor het eerst gezien en gefotografeerd net ten zuiden van Serooskerke door een deelnemer op het rondvaartschip MS Onrust, dat toertochten op de Oosterschelde verzorgd. Vervolgens zijn er diverse waarnemingen in het westelijk deel van de Oosterschelde gedaan en schijnt hij zelfs bij Yerseke te zijn gezien. De laatste waarnemingen zijn van 23 november, toen hij weer bij Serooskerke rondzwom. Op 4 december dobberde hij dood rond nabij Scherpenisse en kon hij met enige inspanning (steile en gladde oever, gewicht bijna 250 kilo) worden geborgen. Het bleek een mannetje en hij is bewaard voor onderzoek. Bij sectie bleek het dier een longontsteking te hebben en bijtwonden, waarschijnlijk van een grijze zeehond. Ook waren er resten van een grote vis in de maag.

      Over de 25 bruinvissen is ook iets opmerkelijks te melden: van bijna de helft (12 exemplaren) is het geslacht bekend. Hieronder waren maar liefst 11 mannetjes en slechts 1 vrouwtje, oftewel 92% mannen. In de jaren 2006-2020 lag het percentage mannetjes rond het jaargemiddelde van 59%. We moeten er niet te veel waarde aan hechten omdat het in elke decembermaand vrijwel steeds om lage aantallen gaat (gemiddeld 15 exemplaren, spreiding 1-38). Toch waren alleen in jaren met een erg scheve man-vrouwverdeling de aantallen zeer laag. In december 2007 bijvoorbeeld is maar 1 van de 6 bruinvissen gesekst (man), in december 2020 slechts 2 van de 5 (1 man, 1 vrouw). Ook exclusief die twee jaren blijft de man-vrouwverdeling voor december gemiddeld 59%. Twaalf gesekste dieren op een totaal van 25 blijft erg weinig. Het zou mooi zijn als er iets meer inspanning wordt verricht om het aantal gesekste dieren wat op te krikken. Dat kan, heel eenvoudig, door een gevonden bruinvis even met de voet om te rollen en een foto van de buik te maken. Zie ook dit bericht voor meer informatie over het seksen van bruinvissen.

    • maandoverzicht november 2021

      Was augustus met 255 strandingen een maand om nooit meer te vergeten, november past meer in het rijtje 'maanden die je gerust kunt vergeten'. Er zijn de afgelopen maand 27 strandingen ontvangen en daarmee eindigt november 2021 exact op het meerjarig gemiddelde. November is gemiddeld de maand met de minste strandingen in een jaar en daarom waren de verwachtingen ook niet erg hoog gespannen. Overigens kunnen de aantallen in november sterk schommelen. Er zijn zowel extreme uitschieters naar boven – november 2017 met 58 strandingen, het hoogste novemberaantal ooit – als naar beneden – november 2018 met slechts 8 strandingen, het laagste aantal sinds 2003. De strandingen waren dit jaar geconcentreerd tussen 5 en 16 november, met als uitschieter 5 kadavers op de 8e. Op de andere dagen zijn 0-2 dieren gemeld.

      De aantallen in de Delta waren wederom mager met slechts 4 (1 in de Oosterschelde), in Zuid- en Noord-Holland zijn er 7 strandingen ontvangen en de bulk kwam dus uit het Waddengebied met 16 exemplaren (Texel 2, Vlieland 6, Ameland 6, Schiermonnikoog 1 en de Friese vastelandskust 1). Alle strandingen betroffen bruinvissen, op een na.

      De bijzondere soort is gevonden bij Westenschouwen op 28 november. Het gaat mogelijk om een gewone dolfijn, maar vanwege rotting waren de kleuren verdwenen en was determinatie op het strand lastig. Er was niet veel meer van over dan een skelet met vleesresten. De schedel is bewaard voor onderzoek en als te zijner tijd de determinatie rond is, zal het zeker op walvisstrandingen.nl worden meegedeeld.

    • Meer bekend over massastranding van augustus-september

      Het is al een tijd stil geweest rond de massastranding van bruinvissen die rond half augustus begon. Dat wil niet zeggen dat er niets is gebeurd. Er zijn tussen half augustus en begin september bijna driehonderd bruinvissen geregistreerd. Niet alle waren onderdeel van de massastranding, maar het totaal van deze periode overtrof wel alle gebeurtenissen uit het verleden. Omdat de aangespoelde kadavers allemaal rot waren, is slechts een klein aantal verzameld voor onderzoek. Recent zijn de resultaten van het laboratoriumonderzoek gepubliceerd, die je hier kunt lezen. Belangrijke conclusie is dat de bacterie Erysipelothrix rhusiopathiae is gevonden. Deze bacterie komt bij veel dieren voor, ook bij zoogdieren. Bij mensen kan het vlekziekte veroorzaken, ook wel erysipelas, belroos of wondroos genoemd. Als de bacteriën (bij mensen) in de bloedbaan terecht komen, kan bloedvergiftiging optreden. Hoe de ziekte bij walvissen verloopt is niet bekend, want deze bacterie is nog niet eerder bij walvissen vastgesteld. Er blijven nog vele vragen over, bijvoorbeeld waarom vooral vrouwtjes lijken te zijn getroffen, of waarom de dieren over zo'n klein gebied zijn aagespoeld. Hopelijk zal meer onderzoek die vragen kunnen beantwoorden.

    • Maandoverzicht oktober 2021

      Oktober 2021 is met 51 strandingen hoger uitgevallen dan het meerjarig oktobergemiddelde van 44. Het is een klus geweest om duidelijk te krijgen of meldingen van vaak oude en rotte kadavers restanten waren van de massastranding in augustus-september en reeds eerder gemeld waren, of dat het toch nieuwe waren. Dit speelde vooral op de Waddeneilanden, waar soms wel en soms niet kadavers worden weggehaald of begraven, maar waar vanwege de uitgestrektheid van de gebieden net zo gemakkelijk kadavers gemist kunnen worden.

      Uit de Delta zijn deze maand 9 meldingen ontvangen (waarvan 2 in de Oosterschelde), van de kust van Zuid-Holland 8, en van de Noord-Hollandse kust 6. De bulk is dus op de Waddeneilanden gevonden: maar liefst 28 dode bruinvissen (Texel 11, Vlieland slechts 3, Terschelling 5, Ameland 5, Schiermonnikoog 2 en de vastelandskust van Friesland en Groningen 2). Er is maar 1 bruinvis levend aangespoeld (22 oktober Schiermonnikoog). Vanaf 10 oktober zat de wind al in de noordwesthoek en bleef daar vervolgens tot en met de 23e. In de periode 12 tot en met 24 oktober zijn dan ook dagelijks dode bruinvissen gemeld, met pieken van steeds 4 exemplaren op 16, 22 en 27 oktober en zelfs 7 op de 23e. Van de 51 strandingen waren er 49 bruinvissen.

      Heel bijzonder waren de twee levende gewone spitssnuitdolfijnen op 5 oktober bij Ter Heijde. Dit waren nummers 26 en 27 van deze soort voor ons land sinds 1900. We zijn er al een beetje aan gewend geraakt, omdat er sinds 2000 inclusief deze twee al 13 gewone spitssnuitdolfijnen zijn gestrand. In de 21 jaar die deze eeuw jong is, is al bijna de helft van het totale aantal gewone spitssnuitdolfijnen gestrand (oftwel 46% in 17% van de tijd). Toch is de gewone spitssnuitdolfijn een heel zeldzame soort in Nederland en de hele zuidelijke Noordzee. Als we de sinds 1900 aangespoelde aantallen per soort rangschikken, staat gewone spitssnuitdolfijn op een achtste plaats. Toch tekent zich een duidelijk patroon van het voorkomen af, met de meeste strandingen (82%) in de periode juli-oktober. Daarnaast is meer dan de helft (61%) vrouw en is bijna 40% levend gestrand. Of dat nog niet genoeg is, blijkt ook nog eens dat er op drie data twee dieren tegelijk op het strand terecht zijn gekomen (16 juli 1947 Texel, 10-11 juli 1952 Castricum-Heemskerk, 5 oktober 2021 Ter Heijde), en steeds waren dit vrouwtjes. Alleen van die in 1947 is (nog) niet bekend of die ook levend zijn gestrand. Wat is er aan de hand? Van de dieren van dit jaar weten we dat het twee lacterende vrouwtjes waren. Dat betekent dat ze een jong hadden, of hebben gehad. Of ze dit jong zijn kwijtgeraakt en daarna zijn gaan zwerven, of dat ze zijn gaan zwerven en daardoor hun jong zijn kwijtgeraakt, is niet bekend. Ook is de relatie van de vrouwtjes onderling (zussen, nichtjes, geen familie) niet bekend. Intrigerend.

    • maandoverzicht september 2021

      September begon waar augustus ophield. Van de hausse aan strandingen op de oostelijke Waddeneilanden, die rond 23 augustus was begonnen, kregen we begin september nog het staartje mee. Op 1 september zijn nog 19 meldingen ontvangen, op 2 september 20 en op 4 september 9. Dit waren vrijwel alle 'nieuwe oude' kadavers, met andere woorden dieren die op die dag zijn gemeld, maar al lang dood waren, net als tijdens de piek van de strandingen op 28-30 augustus (zie figuur 2 in het maandoverzicht van augustus). Daarna was het 'terug naar normaal', met dagelijks 0 tot 5 kadavers tot het eind van de maand. Het totaal voor september 2021 komt uit op 104 bruinvissen. Uiteraard is dit ruim hoger dan het meerjarig gemiddelde van 63. Het is niet voor het eerst dat er in september zo veel bruinvissen zijn gestrand: in september 2011, 2012 en 2013 – daar zijn ze weer! – strandden respectievelijk 132, 108 en 99 dieren. Overigens waren de aantallen ook opvallend hoog in september 2014 met 84 en september 2018 met 79. Recente uitbijters naar beneden in de reeks waren september 2020 met 41 en september 2015 met 43.

      In het hele land ten zuiden van Texel zijn lage aantallen gestrand: in het Deltagebied maar 11 (waarvan 3 in de Westerschelde en 1 in de Oosterschelde), in Zuid-Holland 5, in Noord-Holland 5 en in het Waddengebied de overige 83. Van deze 83 lagen er 10 op Texel, 10 op Vlieland, 3 op Richel, 1 op Griend, 10 op Terschelling, 28 op Ameland, 7 op Engelsmanplaat, 6 op Schiermonnikoog, 1 op Rottumeroog, 1 aan de oostzijde van Den Helder en 6 aan de Friese wadkust. Opvallend is dat er op Rottumerplaat, dat in september wel is bezocht, geen dode bruinvissen meer zijn gemeld. In september dit jaar zijn geen andere walvissoorten gemeld, met uitzondering van het bekende kadaver van de dwergvinvis op Rottumerplaat, die daar op 25 november 2020 is gevonden.

      Dat de meldingen na 4 september ophielden is niet verwonderlijk als we kijken naar de windrichting: die was op 31 augustus nog noordelijk, maar draaide op 1 september naar zuidelijke richtingen (met uitzondering van 3 september, toen er nog eventjes een zwak noordelijk briesje stond) en bleef daar vervolgens de rest van de maand. Kadavers die eventueel nog in de buurt van de Waddenkust dobberden, zijn daarom misschien wel weer zeewaarts geblazen. Tot het eind van de maand zijn er nog bruinvissen gemeld die qua uiterlijk (groot, rot) en sekse (vrouw) pasten in de massastrandingen, maar het is niet in alle gevallen duidelijk of er nog nieuw aangespoelde dieren bij waren, of dat het om bijvoorbeeld lokaal door het water verplaatste kadavers ging. Bijgeleverde foto's waren vaak behulpzaam bij het bepalen hiervan. Zoals ook al in augustus was geconstateerd, was de seksesamenstelling scheef, maar andersom dan normaal: nu was 65% vrouw, normaal gesproken is dat in september 42%.

      Inmiddels zijn 22 bruinviskadavers afkomstig van de Waddeneilanden en behorend bij deze massastranding onderzocht in Utrecht. Er is weefsel op kweek gezet voor onderzoek naar ziekteverwekkers. Omdat dat, en de interpretatie ervan, nog enige tijd kan duren, is het nog niet duidelijk wanneer de resultaten bekend worden gemaakt.

    • maandoverzicht augustus 2021

      In het rijtje 'maanden om nooit meer te vergeten' schrijven we ook augustus 2021 bij. Het maandgemiddelde van aangespoelde bruinvissen berekend over 2006 tot en met 2020 ligt op 75 (zwarte lijn in figuur 1). Zoals bekend wordt dit sterk omhooggetrokken door augustus 2011, toen er 211 bruinvissen (geen tikfout) zijn geregistreerd. Zonder augustus 2011 ligt het meerjarig gemiddelde op 66. In augustus 2021 is dit aantal verpulverd: deze maand zijn er maar liefst 254 dode bruinvissen gemeld.

      figuur 1. Aantal in augustus aangespoelde walvissen in Nederland. De zwarte lijn geeft het gemiddelde (75) aan over 2006-2020.

      Begin augustus stond de teller voor dit jaar op 254 dieren, op vier na alleen bruinvissen. Het in 2021 hoogste aantal op een dag gemelde exemplaren was tot dan toe 8, op 19 juli. Ook tot en met 22 augustus verliep de maand voor een gemiddelde augustus behoorlijk rustig, met op 20 van de 22 dagen een of enkele meldingen verspreid langs de hele kust (figuur 2). Op 23 augustus kwam er daarom een ietwat onbehaaglijk gevoel naar boven toen er alleen al op deze dag 12 meldingen werden gedaan. Bovendien kwamen 11 van de 12 uit het gebied tussen Vlieland tot Schiermonnikoog. De dagen erna bleek het onbehaaglijke gevoel terecht, want het ging op de oostelijke Waddeneilanden volledig 'los': van 23 tot en met 31 augustus zijn vooral daar, maar ook elders in het Waddengebied, 190 strandingen geregistreerd. Niet geheel toevallig draaide de wind op 22 augustus van westelijke richtingen naar noord en bleef hij daar tot het eind van de maand. De windkracht was meestal matig, maar er is aan de kust ook windkracht 6 gemeten en op zee tot windkracht 7.

      figuur 2. Dagelijks aantal aangespoelde walvissen in heel Nederland in augustus 2021.

      De strandingen waren deze maand als volgt over het land verdeeld: Deltagebied 16 (waarvan 3 in de Oosterschelde en 4 in de Westerschelde), Zuid-Holland 9, Noord-Holland 14 en Waddengebied 214. Van deze 214 lagen er 19 op Texel, 25 op Vlieland, 58 op Terschelling, 63 op Ameland, 32 op Schiermonnikoog, 2 op Rottumerplaat en 1 op Richel (bij Engelsmanplaat). Een aantal kadavers heeft de eilanden 'gemist' en is de Waddenzee in gedobberd. Deze dieren zijn aangespoeld bij Den Helder (2), Friese kust (7) en Groningse kust (6). Van de Afsluitdijk zijn geen meldingen ontvangen, maar het lijkt onvoorstelbaar dat daar geen bruinvissen zouden zijn aangespoeld en hetzelfde geldt voor overige delen van de Waddenkust. Een deel van de dode bruinvissen is vast (nog) niet aangespoeld maar ergens in de Waddenzee blijven steken.

      De aantallen gemelde aangespoelde bruinvissen op de eilanden zijn altijd grillig. Dit zal deels samenhangen met het aantal bezoekers, dat op zijn beurt wordt beïnvloed door het weer en vakantietijden, maar ook met de lokale omstandigheden. Zo is het strand van Schiermonnikoog heel breed en onoverzichtelijk, terwijl het op Ameland veel smaller is. De uiteinden van de eilanden zijn vaak uitgestrekt, op Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog zijn dit de oostpunten, op Vlieland juist de westpunt. Om te kijken hoe breed het front van aanspoelende bruinvissen is geweest, is nagegaan welk aandeel in een 'normaal' jaar in augustus aanspoelt, en dat dan per eiland. Het levert een chaotische grafiek op (figuur 3), maar goed te zien is dat voor bijna alle eilanden het aandeel voor 2021 hoger is dan anders. Ook is te zien dat voor elke regel een uitzondering is. Voor Vlieland was het aandeel voor augustus 2008 iets hoger dan dit jaar, voor Texel was dat in augustus 2011 het geval.

      Op de bewoonde Waddeneilanden loopt het aantal in augustus gestrande bruinvissen ten opzichte van het jaartotaal uiteen van 9% tot 24%. Op Texel is dit 24%, op Vlieland 15%, op Terschelling 13%, op Ameland 9% en op Schiermonnikoog 9% (figuur 3). Het verloopt dus van west naar oost. Om de cijfers vergelijkbaar te houden zijn de aantallen voor alle eilanden van september tot en met december weggelaten.

      figuur 3. Percentage in augustus aangespoelde bruinvissen per jaar ten opzichte van het jaartotaal voor elk bewoond Waddeneiland.

      In augustus dit jaar was het aantal dieren op Texel bijna twee keer hoger dan gemiddeld (40% tegen 24%), op Vlieland ruim drie keer (50% tegen 15%), op Terschelling bijna zes keer (78% tegen 13%), op Ameland acht keer (76% tegen 9%) en op Schiermonnikoog negen keer (67% tegen 9%). De 'golf' was daarmee ongeveer 100 kilometer breed. Ook op Rottumerplaat en Rottumeroog zijn dode bruinvissen gemeld, maar slechts enkele. Er is bij de Duitse collega's gevraagd of daar ook meer bruinvissen aanspoelden dan anders, maar dat was niet het geval. De golf hield dus abrupt op bij Schiermonnikoog.

      Met vereende krachten is op de eilanden alles in het werk gesteld om overzicht van deze massastranding te krijgen. Veel dieren zijn van het strand gehaald en er zijn voor Nederland unieke foto's gemaakt van stapels dode bruinvissen. Vijfentwintig dieren zijn verzameld voor onderzoek aan de Universiteit van Utrecht. Het was vanzelfsprekend geen fijn werkje om bij aangename zomertemperaturen de hele dag de rotte en uiteenvallende bruinviskadavers een voor een in een zak te stoppen. Met speciaal vervoer (de reguliere veerdiensten weigerden de rotte dieren te vervoeren) zijn de kadavers naar de wal en vervolgens naar Utrecht vervoerd. Daar zullen ze eind september op doodsoorzaken worden onderzocht.

      Elf rotte bruinvissen (en een gewone zeehond) op Ameland, 28 augustus 2021. De jonge zilvermeeuw is zojuist begonnen aan een ambitieus project. Foto: Rob Knoeff

      Zoals al in het bericht hieronder is gemeld, waren alle dieren rot en zijn ze dus niet vlakbij de kust doodgegaan. Van 120 dieren is de sekse bekend: 55 mannetjes en 65 vrouwtjes. In andere jaren is in augustus bijna 61% man. Dit jaar is de verhouding dus de andere kant op scheefgetrokken, want het percentage mannetjes is nog maar 46%. Waarom de sterfte vooral vrouwtjes heeft getroffen is nog onduidelijk, maar het idee dringt zich op dat het iets met voortplanting te maken heeft. Mei tot juli is voor bruinvissen de periode waarin de jongen worden geboren; direct erna volgt de paartijd. Of de vrouwtjes in de periode dat ze de jongen zogen op andere plekken in zee verblijven dan de mannetjes is niet bekend, omdat de dieren in het veld niet te seksen zijn.

      figuur 4. Aantal aangespoelde bruinvissen van Texel tot en met Rottumeroog, inclusief de overige eilanden in Waddenzee en de Waddenzeekust van Noord-Holland, Afsluitdijk, Friesland en Groningen. De blauwe lijn geeft het gemiddelde over de periode 2006-2020, de oranje staven de aantallen voor 2021. De grafiek is bijgewerkt tot en met 10 september.

      Het duurde even om alle meldingen zodanig te verwerken dat er geen dubbele in de database zouden terechtkomen. Nu dat is gebeurd hebben we een indruk van de omvang van deze bijzondere gebeurtenis. In figuur 4 staan de in het Nederlandse Waddengebied aangespoelde bruinvissen per maand. Normaal gesproken zijn maart en juli dé maanden om daar een dode bruinvis aan te treffen, maar in 2021 is dat duidelijk anders. Iedereen is erg benieuwd of het onderzoek aan de verzamelde bruinvissen resultaten gaat opleveren. Te zijner tijd zal erover worden bericht. Houdt daarom deze website en die van de Universiteit van Utrecht in de gaten.

    • omvangrijke stranding van bruinvissen op de Waddeneilanden

      Sinds maandag 23 augustus begon het aantal meldingen van dode bruinvissen op de Waddeneilanden te stijgen. Op zich is dit niks bijzonders. De wind was naar het noorden gedraaid en bovendien is de periode juli-september de tijd waarin er altijd verhoogde sterfte wordt gerapporteerd. Het aantal meldingen begon nu echter wel heel flink op te lopen. Op moment van schrijven van dit stukje is het zaterdag 27 augustus en zijn er 33 bruinvissen ingevoerd, maar het overzicht is nog niet compleet.

      De hoge aantallen treffen vooral de oostelijke Waddeneilanden, van Vlieland tot en met Schiermonnikoog. Eveneens opvallend is dat het vooral rotte volwassen vrouwtjes zijn die op het strand worden gevonden. Jongen en mannetjes zitten er op dit moment nagenoeg niet tussen.

      Landelijk gezien zijn de aantallen bruinvissen dit jaar laag. Van januari tot en met juli lag vrijwel elke maand het aantal onder het meerjarig gemiddelde. We lijken in augustus 2021 echter bezig met een 'inhaalslag'. Landelijk gezien, en gerekend vanaf 2006, zijn er tot en met eind augustus gemiddeld 405 bruinvissen aangespoeld. Hier zitten jaren met 'topaantallen' bij, zoals 2011 en 2013, die het gemiddelde sterk omhoog trekken en uiteraard ook daljaren zoals 2015, met opvallend weinig aangespoelde bruinvissen. Dit jaar is de stand 341, maar de maand is nog niet ten einde en de strandingen zijn nog niet allemaal verwerkt.

      Gemiddeld is het aantal bruinvissen dat in juli en augustus samen strandt ruim een kwart (27%) van het jaartotaal (figuur 1). Dit jaar ligt dat met 45% weliswaar hoger, maar het is in de afgelopen jaren nog wel hoger geweest. Nog steeds niks om van te schrikken dus.

      figuur 1. Aandeel (%) per jaar in juli en augustus gestrande bruinvissen ten opzichte van het jaartotaal voor het hele land. Om een vergelijking met 2021 te kunnen maken, zijn voor alle jaren alleen de aantallen tot en met 31 augustus meegenomen. De lijn geeft het gemiddelde over 2006-2020.

      Voor de oostelijke Waddenzee, van Vlieland tot en met Rottumeroog, is het aandeel bruinvissen dat uitsluitend in juli-augustus strandt een vijfde van het jaartotaal (de zwarte lijn in figuur 2). Dit jaar zijn er in de oostelijke Waddenzee, van Vlieland tot en met Rottumeroog, 133 bruinvissen gemeld. Dat betekent dat we op 27 augustus dit jaar al op 54% zitten van het jaartotaal zitten, oftewel 115% van het gemiddelde. Het zijn er dus écht veel!

      figuur 2. Aandeel (%) per jaar in juli en augustus gestrande bruinvissen ten opzichte van het jaartotaal voor de regio van Vlieland tot en met Rottumeroog inclusief de Waddenzee. Om een goede vergelijking met 2021 te kunnen maken, zijn voor alle jaren alleen de aantallen tot en met 31 augustus meegenomen. De lijn geeft het gemiddelde over 2006-2020.

      De berichten van vandaag lijken nog niet op een afname van strandingen te wijzen. Op dit moment wordt met vereende krachten door zowel vrijwilligers als gemeentes getracht een aantal bruinvissen te verzamelen voor onderzoek, in de hoop te achterhalen of er een bijzondere oorzaak aan de sterfte ten grondslag ligt. Het is betrekkelijk koel weer, maar de rotte bruinvissen maken het niet direct een aangenaam klusje. Aan alle strandbezoekers blijft natuurlijk de vraag om dode bruinvissen in het hele land gewoon te blijven melden, via de website walvisstrandingen.nl of via waarneming.nl. Maak foto's van de gevonden dieren, bij voorkeur van beide zijden én van de boven- en onderkant. Als de bruinvis niet al te rot is even met de voet omrollen dus voor het beste resultaat. Uw meldingen worden zeer gewaardeerd.

    • Maandoverzicht juli 2021

      Het is weer juli geweest en geheel volgens schema zijn de strandingen weer de pan uitgerezen. Er zijn 62 meldingen geweest: 61 bruinvissen en 1 gewone vinvis. De gewone vinvis is gemeld op 27 juli bij Terneuzen.

      Deze vinvis past in de reeks van gewone vinvissen die sinds 2000 in de zomer door grote schepen op de bulb worden aangevoerd. Zie voor een fraaie foto voor een voorbeeld hiervan de stranding van 9 november 2015. Voor 1900 zijn er in ons land strandingen van 15 gewone vinvissen bekend, tussen 1900-2000 11, in de laatste eenentwintig jaar al 16. Er is dus een stijgende lijn zichtbaar en dat lijkt niet iets om vrolijk van te worden. Van de vinvisstrandingen waar meer over bekend is, weten we dat ze zijn aangevaren door een schip. De meeste vinvissen waren in goede conditie en zijn waarschijnlijk om het leven gekomen als gevolg van die aanvaring. Dit laatste geldt waarschijnlijk ook voor de vinvis van Terneuzen van dit jaar, hoewel het onderzoek naar de doodsoorzaak op moment van schrijven nog loopt.

      Sommigen zien de toename in aangevoerde vinvissen als signaal van een positieve ontwikkeling: het feit dat er meer worden aangevaren kan je als teken zien dat er ook meer zijn. Je kan het ook anders zien. In de nazomer verzamelen gewone vinvissen zich in de Golf van Biskaje, waar het dan kennelijk goed toeven is. Als ze zich daar volvreten voor een belangrijke levensfase, bijvoorbeeld de trek of de paringsperiode, zouden ze met rust moeten worden gelaten. Het is bekend dat foeragerende walvissen, net als alle dieren die aan het eten zijn, hun volle aandacht bij de maaltijd hebben en niet bij hun omgeving. Blijkbaar horen ze de overigens zeer luidruchtige schepen dan niet aankomen, of besteden ze er geen aandacht aan.

      Er is behalve een toename ook een verandering in de timing van gewone vinvissen op de Nederlandse kust (zie de figuur). Tot 2000 (blauwe lijn) kwam 31% in de maanden oktober-februari op de kust, sinds 2000 (rode lijn) was dat slechts 12%. Voor 2000 verscheen in de maanden juni-augustus maar 7% op onze kust, na 2000 was dat maar liefst 21%, een verdrievoudiging dus. Voor 1900 waren de schepen vast niet snel genoeg om een vinvis aan te varen, maar na 1950 waren ze dat wel. Waarom het dan nog een halve eeuw heeft geduurd voordat er enige regelmaat in het aanvaren kwam, blijft onduidelijk. Misschien zijn er inderdaad plotseling meer vinvissen in de Golf van Biskaje, maar omdat ze zich verre van snel voortplanten kan dat niet een plotselinge toename in de populatie verklaren. Alternatieve verklaringen zijn dan verandering in de voedselsituatie, meer schepen, stillere schepen, snellere schepen, andere routes? Allemaal vragen waarop we het antwoord niet weten, maar voor het voorkomen van aanvaringen wel van belang om te weten.

      Voor bruinvissen was juli een maand 'beneden normaal'. Gemiddeld strandden er tussen 2006-2020 in juli 78 bruinvissen, dit jaar waren het er 62. Piekjaren waren bijvoorbeeld 2012 met 130 en vorig jaar met 121. Uitbijter 2015, een jaar met een afwijkend laag aantal bruinvissen, deed in juli nog aardig mee met 59 strandingen.

      De Delta had dit jaar in juli met slechts 8 bruinvissen (waarvan twee in de Oosterschelde) opvallend weinig strandingen. In Zuid-Holland was het juist erg druk met 18, Noord-Holland weer rustig met 6 en de Waddeneilanden weer druk met 29 (Texel 5, Vlieland 7, Terschelling 6, Ameland 6, Schiermonnikoog 2, Rottumeroog 2 en de Friese vastelandskust 1). Juli 2021 past wel in de trend van opnieuw minder bruinvissen dan voorheen. We kunnen vooralsnog alleen gissen naar de oorzaak, of oorzaken, maar een ding is zeker: aan het hete zomerweer heeft het dit jaar niet gelegen.

    • Maandoverzicht juni 2021

      De 'sprong omhoog' in de strandingen van afgelopen april en mei lijkt weer voorbij, hoewel het junitotaal van 47 bruinvissen dit jaar toch vrijwel gelijk is aan het meerjarig junigemiddelde van 48. Sinds 2006 waren er vier junimaanden met een aantal dat sterk afweek van het gemiddelde. Juni 2013 springt er met 95 strandingen ver bovenuit, terwijl juni 2007 er ver onder lag met 16. In recentere jaren was vooral juni 2015 afwijkend met slechts 29 strandingen. Meestal stranden er in juni iets meer bruinvissen dan in mei. Dit jaar is dat andersom, want het meitotaal van dit jaar staat op 50. Er zijn in juni opnieuw geen andere soorten gemeld dan bruinvis.

      Er waren vrijwel dagelijks strandingen. Alleen na de 26e, toen de wind naar de noordoosthoek was gedraaid, viel een 'gaatje' van een paar dagen.

      Het getal van de maand was 7: in de Delta zijn 7 bruinvissen gemeld (waarvan 1 in de Oosterschelde), langs zowel de Zuid-Hollandse als de Noord-Hollandse kust eveneens 7 en in het Waddengebied 26 (Texel slechts 1, Vlieland 7, Terschelling 4, Ameland 7, Schiermonnikoog 6, vastelandskust van Friesland 1). Opnieuw waren er veel jongen onder de gestrande dieren. Er zijn twee bruinvissen levend gestrand, beide in Zeeland, en geen van tweeën heeft het overleefd.

      Omdat er afgezien van een potvis in januari en een dwergvinvis in april geen bijzondere soorten zijn gestrand dit jaar, zou je kunnen veronderstellen dat 2021 wat soorten betreft saai gaat worden. Van de veertien soorten die sinds 2000 zijn gevonden, of twintig als ook de ongedetermineerde dolfijnen/walvissen worden meegeteld, strandde precies de helft vooral in de eerste helft van het jaar. Kansen genoeg dus om dit jaar nog een bijzondere soort op het strand te vinden.

    • maandoverzicht mei 2021

      Wat is nog normaal? Normaal – het gemiddelde gemeten over de afgelopen vijftien jaar – daalt het aantal bruinvissen in mei ten opzichte van dat in april om, zoals vorige maand ook al is geschreven, in juni weer te stijgen. Dit keer steeg het in april al ten opzichte van maart, en steeg het in mei verder. Deze maand zijn namelijk 51 dode bruinvissen gemeld, op een (snor)haartje na een verdubbeling van het apriltotaal. Dit aantal wijkt sterk af van het meigemiddelde, dat op 39 ligt. Jaren met zeer hoge aantallen in mei waren 2006 met 60, 2013 met 121 en 2013 met 50. Mei 2021 komt met het hoge aantal van 51 exemplaren dus op de derde plaats.

      In mei dit jaar zijn het Deltagebied 12 bruinvissen gemeld (waarvan 3 in de Oosterschelde), langs de Zuid-Hollandse kust 10, langs de Noord-Hollandse kust 8 en in het Waddengebied 20 (5 op Texel, 2 op Vlieland, 2 op Terschelling, 2 op Ameland, 8 op Schiermonnikoog en 1 op de vastelandskust). Hoewel alle gebieden dus een stijging ten opzichte van vorige maand lieten zien, zat in het Waddengebied de échte stijging, want ten opzichte van april is het aantal hier bijna verdubbeld. Het aandeel mannetjes was met 72% opvallend hoog; in april was dit 50%.

      Het hoge aantal is deels toe te schrijven aan de harde aanlandige wind, maar ook aan het aangebroken geboorteseizoen, want 12 van de bruinvissen waar meer over bekend is waren jongen. Sommige waren nog maar net geboren en waren als zodanig herkenbaar aan een of meerdere snorharen. De snorharen vallen meestal spoedig na de geboorte uit. Het 'venijn zat ook in de staart', want in de laatste vier dagen van de maand is een kwart van alle dieren gestrand. Hiervan lagen er 2 op Vlieland, 2 op Terschelling, en maar liefst 6 op Schiermonnikoog. De meerderheid betrof jongen. Het betekent dat bruinvissen in de buurt hun jongen werpen, wat op zich een heugelijk feit is. Of het aantal jongen dat omkomt zorgelijk is, weten we niet. Een aantal is verzameld voor onderzoek, dus hopelijk komen we hier meer over te weten.

      Een apart geval was de bruinvis die op 31 mei strandde in Elburg, in het Drontermeer dus, een van de randmeren die Flevoland scheiden van de vastelandskust. De vraag dringt zich op of dit dier met een vissersboot is meegekomen en in de buurt van de haven overboord is gekieperd, of dat hij op eigen kracht via een sluis het IJsselmeer of Markermeer is binnengekomen. Het dier is bewaard gebleven, dus hopelijk brengt onderzoek uitkomst. De laatste keer dat een bruinvis in binnenwater is terechtgekomen was in augustus 2016, toen een bruinvis bij Den Helder in het Noord-Hollands Kanaal is verzeild geraakt. De vorige keer dat een zeezoogdier bij Elburg is gemeld is bijna negentig jaar geleden, namelijk op 11 maart 1912.

    • maandoverzicht april 2021

      In april 2021 zijn vrijwel evenveel walvissen gestrand als in maart, namelijk 26. Normaal gesproken daalt in april het aantal aangespoelde dieren ten opzicht van maart, en daalt het in mei nog verder, om pas in juni weer toe te nemen. Het aantal lag ruim onder het meerjarig gemiddelde van 40, dat veroorzaakt is door de uitschieter van 111 bruinvissen in april 2013.

      Tussen de Belgische grens en de Maasvlakte zijn dit keer 9 bruinvissen gemeld (waarvan maar liefst 4 in de Oosterschelde), van Hoek van Holland tot IJmuiden slechts 2, van IJmuiden tot Den Helder 4 en in het waddengebied 11 (hiervan 5 op Texel, 1 op Vlieland, 2 op Ameland, 2 op Engelsmanplaat en 1 bij Holwerd). Op 29 april is het eerste jong van dit jaar gemeld. Zij (het was een vrouwtje) lag bij Cadzand. Ze is niet opgemeten, maar aan de proporties is te zien dat het een te vroeg geboren jong betreft.

      Naast de bruinvissen, en dus bijzonder, was het rotte kadaver van een dwergvinvis op de Razende Bol. De dwergvinvis is een van de algemenere zeldzame walvissen in Nederland en de talrijkste baleinwalvis: de database heeft 48 waarnemingen van deze soort, tegen 54 van de andere soorten tezamen. Een aantal botten van deze walvis is verzameld door Ecomare voor nader onderzoek.

    • maandoverzicht maart 2021

      Na de normaal gesproken lage aantallen in december, januari en februari stijgen de aantallen aangespoelde bruinvissen in maart meestal weer. In maart 2019 en 2020 was dat niet het geval, maar dit jaar wel, hoewel het verschil met afgelopen maanden (januari 19 bruinvissen, februari 17 bruinvissen) klein is. Er zijn deze maand 25 aangespoelde dieren gemeld, uitsluitend bruinvissen. Gemiddeld spoelen er in maart 54 dieren aan. Dit hoge gemiddelde wordt vooral veroorzaakt door de recordaantallen van 2006 (100), 2012-2014 (73, 111 en 82) en 2016 (83).

      In maart 2021 was de Delta erg karig bedeeld met aangespoelde bruinvissen, want er zijn er maar 5 gemeld (waarvan 2 in de Oosterschelde). Langs de Zuid-Hollandse kust zijn er 5 gestrand, langs de Noord-Hollandse kust 4 en op de Waddeneilanden 11 (Texel 2, Vlieland 5, Terschelling 2 en Ameland 2).

      De piekaantallen in maart van jaren geleden werden voor een groot deel veroorzaakt door slachtoffers van grijze zeehonden, met name in de buurt van Ouddorp, waar er bijvoorbeeld alleen al in maart 2013 liefst 49 zijn gevonden. Het is gissen waarom er tegenwoordig bij Ouddorp minder bruinvissen aanspoelen. Misschien zijn de lokale voedselomstandigheden voor bruinvissen verslechterd, waardoor er minder zijn en grijze zeehonden er minder succesvol op kunnen jagen. Misschien zijn de omstandigheden elders beter, waardoor er zich bij Ouddorp gewoon minder bruinvissen ophouden. Aan de grijze zeehonden zal het niet liggen, want die komen er talrijk voor.

    • maandoverzicht februari 2021

      In februari zijn 17 gestrande bruinvissen gemeld. Dat is ruim onder het meerjarig gemiddelde, dat op 37 ligt. Vooral in de jaren 2012 en 2013 waren de aantallen in februari erg hoog, met meer dan 50 strandingen. Alleen in februari 2015 was het aantal vergelijkbaar laag (namelijk 18). Om in de jaren daarvoor een dergelijk laag aantal tegen te komen moeten we terug naar 2004, toen er 12 zijn gemeld.

      In het Deltagebied zijn deze maand slechts 3 bruinvissen gestrand, langs de Zuid-Hollandse kust ook 3, in Noord-Holland zelfs maar 2. Het Waddengebied was in februari 'the place to be' als je een bruinvis op het strand wilde tegenkomen, met name Texel, want daar zijn deze maand maar liefst 6 bruinvissen gevonden. Twee hiervan zijn levend gestrand. De ene is na een gezondheidscheck weer op zee losgelaten, de andere is overleden. Daarnaast zijn er bruinvissen gevonden op Terschelling (1), Schiermonnikoog (1) en op de Friese vastelandskust (1). Behalve de twee levende op Texel is er ook een levende bruinvis gestrand bij Kijkduin. Andere bijzonderheden zijn er niet gemeld.

    • Jaaroverzicht 2020 online

      Het jaaroverzicht van de walvisstrandingen 2020 staat online. Het is hier in te zien.

    • maandoverzicht januari 2021

      In januari 2021 zijn 18 bruinvissen en 1 potvis gestrand. Hiermee wordt de zaagtandgrafiek wat bruinvissen in januari betreft weer doorgezet. Januari 2015 liet met slechts 20 exemplaren een dal zien sinds 2009. Daarna waren de januaritotalen weer wat hoger tot en met 2020, met een heuse uitschieter van 51 in januari 2019. Het januarigemiddelde sinds 2006 is 35. Januari 2021 telde dus precies de helft van januari vorig jaar. Met dit aantal zitten we dus nog iets onder het januaritotaal van 2015. Verder terug in de tijd was januari 2008, met in totaal 9 bruinvissen, nog lager.

      Uit de Delta zijn deze maand 7 meldingen ontvangen, van de Zuid-Hollandse kust 6, Noord-Hollandse kust 3 en uit het waddengebied 3. Er zijn 2 bruinvissen levend gestrand; geen van beide heeft het overleefd. Bijzondere stranding was die van een foetus van een bruinvis van 30 centimeter lengte bij Noordwijk.

      Op 7 januari werden we weer verrast door een potvis. Zoals wel vaker gebeurt, is ook dit mannetje levend aan wal geraakt en onder zijn eigen gewicht bezweken. In de maag zat een flinke hoeveelheid inktviskaakjes en resten van enkele schrikbarend grote zeeduivels.

      In totaal zijn er nu 81-84 potvissen in ons land gestrand; hierbij zitten enkele botvondsten. We hebben net twee potvisloze jaren achter de rug, maar in 2016 was het echt raak en strandden er 6 tegelijk op Texel. Dat was de grootste stranding ooit in Nederland, want veel vaker gaat het om 1 exemplaar. Toch staat juist potvis bekend om zijn massastrandingen en ook in Nederland hebben we er wel vaker meerdere tegelijk gehad: 2 op Richel op 2 november 2004, 4 op Ameland op 28 november 1997, 3 bij Den Haag op 12 januari 1995. De volgende massastranding terug in de tijd was van 2 op Vlieland op 18 januari 1762.

      Januari is dé maand om op het strand tegen een potvis aan te blunderen, want in deze maand vindt bijna 40% van de strandingen plaats. Maand nummer twee in de rij is november, met 15% van de strandingen. Drie kwart van de potvissen in ons land strandt in de periode november-februari, maar in bijna alle andere maanden zijn ook potvissen gevonden. Augustus blijft vooralsnog de enige potvisloze maand in Nederland.