Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2021

    Nieuws 2020

    • Maandoverzicht december 2020

      December heeft een heel zuinig lijstje van strandingen opgeleverd: er zijn slechts 8 bruinvissen gemeld en geen andere soorten. Gemiddeld over 2006-2019 stranden er in december 31 bruinvissen. Het laagste aantal in die periode was 7 in 2007, het hoogste 58 in 2011. Het is dertien jaar geleden dat er in december minder dan 10 walvissen zijn gemeld. Zelfs in het magere jaar 2015 waren het er nog altijd 22.

      Behalve het lage aantal was ook de verdeling over de kust bijzonder: er is 1 dode bruinvis gemeld in het Deltagebied (Westenschouwen), de overige 7 zijn uitsluitend afkomstig uit het Waddengebied (Vlieland 4, Terschelling 1, Ameland 1, Schiermonnikoog 1).

    • Rotte dwergvinvis op Rottumerplaat rot weg

      Op 25 november 2020 zagen vissers van de OL7 vanaf hun boot een dode dwergvinvis liggen op het strand van op Rottumerplaat en meldden dit aan medewerkers van Rijkswaterstaat. Na overleg met diverse instanties is besloten dit kadaver niet te ruimen, maar het te laten liggen. Dit is nieuw voor ons land en daarom is de stranding in de media breed uitgemeten. Was de walvis een paar kilometer verder naar het oosten gedobberd, dan had het in Nederland aanzienlijk minder aandacht gegenereerd. De stranding op Rottumerplaat is aangegrepen om een beeld te geven van het voorkomen van dwergvinvissen in ons land. Hiertoe zijn de gegevens van gestrande dwergvinvissen op een rij gezet.

       

      47 dwergvinvissen .... of meer?

      Volgens de database van walvisstrandingen.nl is de dwergvinvis op Rottumerplaat de 47e voor Nederland. Helaas is het onwaarschijnlijk dat dit getal correct is. Hoe verder we in de tijd teruggaan, hoe onbetrouwbaarder de strandingsgegevens worden. Toch was ook in vroeger tijden een walvis op het strand een gebeurtenis van formaat. Strandingen van grote walvissen zijn dan ook bijna altijd in kranten terug te vinden, soms wat prominenter, een andere keer verdwaald tussen advertenties en familieberichten. Van enkele eeuwen terug zijn grote walvissen op ons strand vaak bekend van tekeningen en schilderijen. Hoe kleiner de walvis, des te kleiner de kans dat hij op een van deze manieren is vereeuwigd. Hoewel een dwergvinvis binnen de zoogdieren een fors dier is, is het onder walvissen maar een kleintje. Gestrande kleinere walvissen zijn in het verleden vast niet allemaal gedocumenteerd. Bovendien zijn er nagenoeg zeker dwergvinvissen de boeken ingegaan als 'walvis onbekend', 'grote dolfijn', 'grote vis' of een variant hierop. De database bevat twintig kleinere en grotere walvissen waar nooit een soortnaam aan is toegekend. Tot slot is het mogelijk dat er in het verleden wel eens een dwergvinvis in een uithoek van het land is gestrand die nooit is gevonden en daarom aan de annalen is ontsnapt. Onder de 47 vondsten zijn drie vondsten van losse botten, namelijk uit 1932, 1939 en 1951. Deze zijn in de analyses hieronder weggelaten.

       

      van soms naar regelmatig

      Dat dwergvinvissen in de Noordzee voorkomen is al lange tijd bekend. Het ligt dan ook voor de hand dat er van tijd tot tijd eentje op onze kust belandt. Toch laat het patroon van strandingen een onregelmatig beeld zien, met grote 'gaten' (figuur 1). De oudste dateert van 1862. Daarna zijn er steeds periodes van jaren, soms wel twintig jaar, waarin er niet een is gemeld. Hoewel dit de werkelijkheid zou kunnen zijn, zullen we er nooit achter komen of er in de tussentijd niet toch eentje is gemist.

      figuur 1. Strandingen van dwergvinvissen op de Nederlandse kust sinds 1860.

       

      Dankzij het intensieve werk aan walvisstrandingen door Van Deinse is het patroon vanaf 1914 betrouwbaarder. Opvallend genoeg zien we ook dan een enorm gat van maar liefst 23 jaar, namelijk tussen 1951 en 1974. Misschien was de zuidelijke Noordzee een plaats waar je als dwergvinvis destijds beter niet kon zijn. Het exemplaar in 1974 was blijkbaar ook uitzonderlijk, want na dat jaar duurde het nog eens 13 jaar tot er weer een strandde. Na 1986 zien we een verdichting in de strandingen, met sinds 1994 nooit meer een periode met meer dan drie jaar zónder gestrande dwergvinvis. De toename wordt duidelijk uit het gemiddelde aantal strandingen per jaar, dat is gestegen van 0,34 gemeten over 1914-2020 naar 0,53 sinds 1974 en 0,69 sinds 1986. Sinds 2005 zijn er zelfs nog maar zes jaren zonder dwergvinvis en is het gemiddelde opgelopen naar 1,00 per jaar. Hoewel we het hier natuurlijk niet over levende maar over dode dwergvinvissen hebben, zou dit een aanwijzing kunnen zijn dat de zuidelijke Noordzee tegenwoordig vaker door deze soort wordt bezocht. Waar er meer zijn, gaan er ook meer dood.

       

      alleen uit het noorden?

      De in Nederland gestrande dwergvinvissen zijn over de hele kust verspreid (figuur 2). Ten zuiden van IJmuiden zijn het er 14, ten noorden daarvan 30. Of dit betekent dat er meer dwergvinvissen vanuit de noordelijke Noordzee afdwalen naar het zuiden dan vanuit Het Kanaal, waar de soort ook leeft, is niet duidelijk. Misschien dat onderzoek aan voedselresten in de maag daar meer duidelijkheid over zou kunnen geven, maar het aantal magen dat tot nog toe is onderzocht is slechts vier en twee daarvan waren leeg, dus daar kunnen we nog geen conclusies aan verbinden.

       

       

      figuur 2. Strandingen van dwergvinvissen in Nederland, 1860-2020 (n=47).

       

      steeds eerder, steeds verser, steeds kleiner?

      De dwergvinvissen stranden het hele jaar door, maar over twee eeuwen bezien is er een kleine zomerpiek en een grotere piek in de winter. Meer dan de helft is in oktober-januari gestrand (figuur 3). Er lijkt echter niet alleen een toename in het aantal strandingen te zijn sinds de jaren 1970, er is ook een verschuiving in het strandingspatroon opgetreden. Strandde er voor 1974 tussen april-augustus maar 17% van het jaarlijkse totaal, vanaf dat jaar was dat 58% (figuren 4-5). Wat zou er veranderd zijn?

       

       

       

      figuur 3. Strandingen van dwergvinvissen per maand sinds 1862.

      figuur 4. Strandingen van dwergvinvissen per maand tussen 1900-1973.
      figuur 5. Strandingen van dwergvinvissen per maand sinds 1974.  

       

      Er zijn 4 dwergvinvissen levend gestrand (9%) en daar is vooralsnog geen patroon in te ontdekken: 2 strandden in maart-april en 2 in november-december. Dit waren alle vier 'ukkies' van 429 cm (de kleinste) en 500 cm (geschat; de grootste).

      Van 34 exemplaren waarvan de toestand bekend was, was de meerderheid (23 exemplaren, 68%) rot. Die hebben dus lang rondgedreven en zijn vast niet vlakbij de kust doodgegaan. Vanaf 1973 zijn er iets meer rotte dwergvinvissen gevonden dan verse, namelijk 28% tegenover 44%. Op grond daarvan lijkt het er niet op dat dwergvinvissen dichter bij onze kust zijn gaan leven. De aantallen zijn wel erg klein: van voor 1974 is van maar 9 exemplaren de toestand van het kadaver bekend, van na 1973 van 25 exemplaren. Veel waarde kunnen we hier dus niet aan hechten.

      Van de 44 dwergvinvissen waren er 8 mannen en 16 vrouwen. Er is dus maar een schamele 55% gesekst. Ook van een rotte vinvis is het mogelijk om de sekse vast te stellen. In het verleden was daar kennelijk minder aandacht voor. Overigens zou je uit het ontbreken van een sekse misschien kunnen opmaken dat er inderdaad meer vrouwtjes zijn gestrand – zoals de cijfers suggereren – want bij mannetjes wordt als gevolg van de rotting en de resulterende gasophoping de penis naar buiten geduwd. Zo'n reuzenpiemel maakt doorgaans indruk en wordt dan ook meestal wel vermeld of afgebeeld. Is het percentage mannetjes sinds 1974 dan veranderd? Voor 1974 strandden er 13% mannetjes, vanaf dat jaar was het 44%. Helaas is ook deze steekproef buitengewoon klein: die 13% heeft betrekking op maar 1 mannetje!

      In de zomer zijn wat meer kleine exemplaren gevonden dan aan het eind van het jaar. De echte 'knoeperds', van 7 meter of meer, strandden alle in de winter, een enkele uitzondering daargelaten (man van 760 cm in april, vrouw van 850 cm in augustus). Is er misschien een verschil in lengte opgetreden tussen de periode voor en na 1974? Dat blijkt er inderdaad te zijn. We zien in figuur 6 rechts onderin een wolkje stippen dat er voorheen niet was. Dit zijn dwergvinvissen van 400-500 cm. Hieruit valt op te maken dat er sinds 2000 in de buurt van ons land vaker jonge dwergvinvissen voorkomen. Bij geboorte zijn dwergvinvissen 250 cm, maar het is niet bekend hoe hard ze groeien en het is dus ook niet bekend hoe oud dwergvinvissen van 45 meter lang zijn. Ondanks dat is het voorkomen van jonge dwergvinvissen in de zuidelijke Noordzee iets dat 1974 niet of zelden voorkwam. Toch moet ook hier een kanttekening worden geplaatst: er zijn sinds de eerste dwergvinvis slechts 28 dieren gemeten of is de lengte geschat. Dat laatste is vooral gebeurd als ze incompleet waren en is wat minder betrouwbaar. Van de 39 dieren waarvan iets over de toestand van het kadaver bekend was, waren er slechts 17 compleet (44%).

       

      figuur 6. Lengte (in centimeters) van gestrande dwergvinvissen in Nederland tussen 1860 en 2020.

       

      doodsoorzaken en dieet

      Er is in het verleden maar zelden gezocht naar de doodsoorzaak van gestrande dwergvinvissen. Van het in 1925 gestrande dier wordt vermeld dat het misvormingen had. Omdat ze waren geheeld, kan een scheepsschroef, zoals verondersteld door Van Deinse, niet de doodsoorzaak zijn geweest. Ten minste enkele van de tijdens de Tweede Wereldoorlog gestrande dwergvinvissen waren beschadigd, men vermoedde als gevolg van oorlogshandelingen. Andere bijzonderheden die een doodsoorzaak kunnen zijn geweest bij op de kust gestrande dwergvinvissen waren binnenoorontsteking (1 exemplaar), afgehakte staart (1 exemplaar), aangevaren (1x), kapotte schedel (1x) en andere inwendige breuken (1x).

      Pas van een exemplaar in 1994 wordt voor het eerst iets vermeld over de maaginhoud ('wormen'). Dit dier was vermagerd, dus veel meer dan dat zal er niet in de maag hebben gezeten. Alleen van de dwergvinvissen van december 2015 (Razende Bol) en van juli 2019 (Texel) is de maag tot op de bodem uitgezocht. We kunnen dus concluderen dat we, ondanks de 44 exemplaren die op het strand ter beschikking van de wetenschap lagen, nog maar weinig weten over gevaren, doodsoorzaken en dieet van dwergvinvissen in onze omgeving.

       

      regelmatige Noordzeebewoner nog slecht bekend

      Zoals de getallen laten zien, mogen we tegenwoordig rekenen op (gemiddeld) 1 gestrande dwergvinvis per jaar. Daarmee kunnen we concluderen dat de soort een regelmatige bezoeker van Nederland is geworden. We mogen de dwergvinvis met zijn pakweg 10 meter lengte dus een van de grootste toppredatoren van Nederland noemen! Toch weten we nog maar bar weinig van de soort. Dat is enerzijds niet verwonderlijk voor een soort die vooral voorkomt in een moeilijk te bereiken uithoek van ons land. Het betekent anderzijds dat we elke gelegenheid zouden moeten aangrijpen om meer te leren over de biologie en de ecologie van deze soort in de natste helft van ons land. De dieren die dood aanspoelen bieden hiervoor een goede mogelijkheid.

       

      onderzoek of niet?

      De dwergvinvis die nu op Rottumerplaat is aangespoeld heeft opvallend veel aandacht van de media gekregen. Hierin wordt steevast vermeld dat er vanuit de instituten geen interesse was om het dier te onderzoeken en dat Naturalis geen skelet wilde bewaren. Die boodschap klopt niet. De onderzoeksinstituten stonden te trappelen om het dier te onderzoeken, maar de locatie maakte dit logistiek lastig en onderzoek en berging daarmee extra kostbaar.

      Tot op heden worden walviskadavers van het strand verwijderd en als chemisch afval gedestrueerd, omdat ze gevaarlijk zouden zijn voor de volksgezondheid. Omdat hiermee biomassa wordt onttrokken aan de natuur, waren er al lang plannen om een dode walvis te laten liggen. Hiervoor is de Waddenzee als eerste proeflocatie geopperd, vanwege de uitgestrektheid van het gebied. Rottumerplaat is een natuurgebied en verboden voor publiek. Hoewel ook deze dwergvinvis – net als elke walvis – onverwachts kwam, bood de stranding in combinatie met de locatie dé gelegenheid om dit experiment nu te starten.

      Om te voorkomen dat het kadaver op drift raakt, in de vaarroute terecht komt of anderszins een gevaar vormt, is het op Rottumerplaat verplaatst naar een plek waar de kans op wegdrijven klein is. Er zijn direct camera's rond de walvis geplaatst en er zijn 'nulmetingen' verricht aan vegetatie. Binnen korte tijd zal ook monitoring aan fauna rond het dier starten. De walvis wordt in de gaten gehouden door medewerkers van Rijkswaterstaat en Staatsbosbeheer en het verloop van het afbraakproces wordt gevolgd door Wageningen Marine Research. Hoewel het dus niet mogelijk is geweest om dit kadaver te onderzoeken op bijvoorbeeld doodsoorzaak en dieet, gaan we er nu toch van leren.

      Op https://basismonitoringwadden.waddenzee.nl/pilots-en-projecten/walviskadaver is het verteringsproces van de dwergvinvis van Rottumerplaat te volgen.

      Guido Keijl, mede namens Lonneke IJsseldijk (Universiteit Utrecht), Pepijn Kamminga (Naturalis) en Mardik Leopold (Wageningen Marine Research)

      Enkele links:

      https://www.waddenzee.nl/beheren/coalitie-wadden-natuurlijk

      https://www.wadgidsenweb.nl/nieuws/waddenzee-nieuws/887-dwergvinvis-rottumerplaat.html?tmpl=component&print=1&layout=default

       

    • Maandoverzicht november 2020

      November is normaal gesproken de maand met het laagste aantal strandingen. Dat lijkt ook dit jaar weer het geval te zijn, want er zijn maar 13 strandingen gemeld. Teruglezend in de maandoverzichten blijkt dat er in april 2020 maar 11 meldingen zijn gedaan, dus die maand kwam dit jaar nog net iets lager uit. Daarmee lijkt het patroon van strandingen voor 2020 sterk op dat van 2019, waarin april en november eveneens de maanden waren met de minste strandingen.

      Het aantal bruinvissen dit jaar was zelfs nog lager dan genoemde 13, want er zijn in november drie bijzondere soorten aangespoeld. Het betrof een gewone dolfijn bij Zierikzee op 21 november, een gewone dolfijn bij Breskens op 22 november, en een dwergvinvis op Rottumerplaat op 25 november. Een gelukkige waarnemer zag op 20 november twee of drie gewone dolfijnen bij de Brouwersdam. Een van deze twee is dus in de Oosterschelde verzeild geraakt, de ander is naar het zuiden afgedwaald toen hij zijn vriendje kwijt was. Beide waren vers toen ze zijn gevonden en zijn door de Universiteit van Utrecht onderzocht. Uit het onderzoek bleek dat beide ziek waren: de een had ontstekingen in de hersenen, hersenvlies, longen en darmen, de ander een ontsteking in de longen en misschien ook in de hersenen. Naar de oorzaak van de ontstekingen wordt nog gezocht. De gewone dolfijnen waren strandingen 95 en 96 van deze soort voor ons land en alweer nummers 3 en 4 van dit jaar!

      De dwergvinvis op Rottumerplaat was natuurlijk lastig bereikbaar. Er is besloten dit dier te laten liggen en het verval van het karkas te volgen. Er wordt nog gewerkt aan een speciaal bericht over deze dwergvinvis op deze nieuwspagina.

      De 10 bruinvissen waren als volgt over de kust verdeeld: Delta 4 (waarvan 1 in de Oosterschelde), Zuid-Holland 2, Noord-Holland 0, Waddeneilanden 4 (Texel 1, Vlieland 1, Terschelling 1, Schiermonnikoog 1). Er was niet een bruinvis vers, wat zou kunnen betekenen dat ze alle van verder weg zijn komen aandrijven.

    • Maandoverzicht oktober 2020

      Oktober was wat strandingen betreft weer rustig, zoals verwacht. Sterker nog, er waren bijzonder weinig strandingen: er zijn er slechts 19 ontvangen, alleen van bruinvissen. Dat is ruimschoots onder het meerjarig gemiddelde over 2006-2019, dat op 46 ligt. Uitschieters in die periode waren oktober 2015 met slechts 17 strandingen en oktober 2011 met maar liefst 114.

      Ook nu strandden de bruinvissen weer geclusterd in de tijd, met een duidelijk golfje van 11 exemplaren tussen 7 tot 13 oktober, niet geheel toevallig samenhangend met windrichtingen tussen zuidwest en noordwest. Na de 13e bleef de wind in de zuidhoek en strandden er nog maar 7.

      In de Delta strandden 6 bruinvissen (0 in Wester- en Oosterschelde), langs de Zuid-Hollandse kust 4, langs de Noord-Hollandse kust 3 en op de Waddeneilanden 7 (Texel 1, Vlieland 1, Terschelling 2, Ameland 2).

    • Maandoverzicht september 2020

      Na een 'wilde' juli en een 'heftige' augustus wat strandingen betreft, was september 2020 weer rustiger: er zijn in totaal 39 gestrande dieren gemeld. Dat is twee derde van het gemiddelde voor september, dat op 65 ligt (2006-2019). Zoals gebruikelijk zijn de maandgemiddelden sterk beinvloed door een of twee extreme jaren. In dit geval zijn dat september 2011 met 132 strandingen en september 2012 met 108. Zonder deze jaren ligt het septembergemiddelde op 56, nog altijd flink hoger dan dit jaar.

      De strandingen waren ongelijk verdeeld over de maand, met 29 exemplaren tot en met de 13e (maximaal 6 op 5 september) en daarna maar 10. Dit kwam weer mooi overeen met de windrichting, die tot en met de 13e westelijk was en vanaf de 14e hoofdzakelijk uit het oosten en op de andere dagen uit het zuiden waaide.

      Uit de Delta kwamen deze maand 17 meldingen (waaronder 1 uit de Oosterschelde en 2 uit de Westerschelde), uit Zuid-Holland 4, uit Noord-Holland 8 en uit het waddengebied 10 (Texel 3, Vlieland 3, Terschelling 1, Ameland 1 en Schiermonnikoog 2).

      Er zijn in september twee bijzondere soorten gemeld. De eerste was een gewone dolfijn, alweer de tweede van dit jaar (1 september Neeltje Jans; de vorige strandde een dag eerder op het Balgzand). Het kadaver was sterk verkleurd en de determinatie is daarom nog niet zeker, het wachten is op een schone schedel. De andere bijzondere soort was natuurlijk butskop, met twee exemplaren maar liefst, in de Westerschelde. Zie voor uitgebreidere informatie over deze butskoppen, en over het voorkomen van de soort in Nederland, het nieuwsbericht hieronder.

      Na alle opwinding rond de butskoppen, beide gewone dolfijnen en de gewone spitssnuitdolfijn (17 augustus Oosterscheldedam) is misschien de indruk ontstaan dat het stranden van bijzondere walvissoorten in ons land vooral een zomerverschijnsel is. Dat blijkt vooralsnog niet het geval: van 201 bijzondere soorten die in Nederland zijn gestrand sinds 2000 (alle niet-bruinvissen) strandt 8 procent in september, precies wat je verwacht bij een gelijke verdeling over de maanden (zie figuur). De maanden december en januari springen er juist uit. Dat wordt vooral veroorzaakt door strandingen van witsnuitdolfijnen (23% in december-januari) en potvissen (44% in december-januari). Nu witsnuitdolfijn langzaamaan weer uit de Nederlandse wateren lijkt te verdwijnen, en als de doorgaans over meerdere jaren uitgesmeerde piek van potvisstrandingen weer voorbij is, zal de nadruk misschien inderdaad meer op zomerstrandingen komen te liggen.

      figuur 1. Strandingen van niet-bruinvissen in Nederland per maand vanaf 2000 tot en met 2020.

    • Twee butskoppen gestrand in de Westerschelde

      Het zal niemand zijn ontgaan dat er recent twee butskoppen zijn gestrand in de Westerschelde. Hieraan vooraf ging een reeks van waarnemingen die begon op 20 augustus, toen twee zwemmende butskoppen werden gefilmd in de Oosterschelde. Men dacht aan een vrouwtje met haar jong, want het voorste dier leek groter dan het iets later opduikende exemplaar, dat bovendien heel dicht achter de eerste aan zwom. Beide zijn vervolgens ook op 21-23 augustus in de Oosterschelde gemeld, maar daarna werd het stil, ondanks intensieve zoekacties. Haast ongelooflijk voor twee walvissen van zo'n zeven meter lang in een spiegelgladde Oosterschelde. Waren ze dood? Waren ze weer de zee op gezwommen?

      Dat laatste waren ze inderdaad, want twee weken later, op 6 september, werden twee butskoppen gemeld op de Westerschelde, een zeearm verder naar het zuiden, die eigenlijk alleen via de Noordzee bereikt kan worden. Het is schier onmogelijk dat de twee walvissen 'binnendoor' zijn gegaan; ze moeten hiervoor de Bergsediepsluis zijn gepasseerd, het Kreekrak door Zuid-Beveland zijn gevolgd en vervolgens opnieuw een sluizencomplex zijn doorgegaan om in de Westerschelde terecht te komen – en dat alles ongezien. Ook de weg via de Noordzee hebben ze heel stiekem gedaan, want in de Westerschelde zijn ze pas nabij Terneuzen voor het eerst gezien, zo'n 30 kilometer landinwaarts dus. Butskoppen kunnen hun adem heel lang inhouden en dat hebben ze dus misschien wel hun hele tocht over de Westerschelde gedaan.

       

      aangevaren

      Dat de Westerschelde voor walvissen gevaarlijk terrein is werd pijnlijk duidelijk, want op 7 september werd een dode butskop gevonden bij Terneuzen en de dag erna een tweede bij Borssele. Van het dier bij Terneuzen was de buik opengereten door een scheepsschroef. De ingewanden puilden uit, maar het dier was vers en verder compleet. Ook de tweede butskop is geraakt door een scheepsschroef, maar dit dier is achter de rugvin domweg afgehakt. Het staartstuk is wel gevonden, maar de staartvin, kennelijk eveneens afgehakt, is waarschijnlijk gezonken.

      Het is vrijwel zeker dat dit dezelfde twee butskoppen waren als die in de Oosterschelde, hoewel de twee gestrande dieren niet een moeder en een jong waren, maar twee volwassen vrouwtjes van ongeveer zeven en acht meter lengte. Het is uiteraard heel jammer dat de dieren door scheepsschroeven om het leven zijn gekomen, maar de dood leek bijna onvermijdelijk. Butskoppen zijn niet alleen dieren van de open oceaan, maar leven ook in heel diep water, waar ze op grote diepte jagen op inktvissen. Denk bij 'grote diepte' aan 500-2000 meter. Deze diepzeewalvissen hebben in de Noordzee dus niets te zoeken en al helemaal niet in het Nederlandse deel, want hun voedsel komt er niet voor. Waren ze niet geraakt door een scheepsschroef, dan waren ze in de Westerschelde een langzame hongerdood gestorven, tenzij ze zelf de uitgang naar open zee hadden gevonden. Dat was niet heel moeilijk geweest, want als ze vanuit de Ooster- óf Westerschelde linksaf Het Kanaal in waren gegaan, waren ze zo in de Golf van Biskaje terechtgekomen, waar wel vaker butskoppen worden gezien. Jammer dat we ze niet even de weg konden wijzen.

      Hoewel butskoppen in het verleden intensief zijn bejaagd (tussen ongeveer 1850-1970, zijn er 80.000 geschoten, gemiddeld bijna 700 per jaar), is er nog altijd verbazingwekkend weinig over de soort bekend. De dieren leven solitair of in groepjes tot 4 stuks, maar soms worden groepen tot wel 20 exemplaren gerapporteerd. Misschien trekken butskoppen in de noordelijke Atlantische Oceaan wel van noord naar zuid en vice versa, maar zelfs dat is niet goed bekend. Ze worden verspreid door het hele gebied gezien en of er een seizoenspatroon in de waarnemingen zit, is blijkbaar nooit geanalyseerd.

       

      strandingen in Nederland

      Voor zover we weten stranden butskoppen die in de Noordzee verdwaald raken vaak. De database van Walvisstrandingen.nl bevat 23 waarnemingen. De oudste dateert van 1584. Sinds 1900 zijn er slechts 14 bijgekomen, waaronder de twee van dit jaar (figuur 1). De vorige butskop strandde in november 1993 en er zijn dus bijna dertig jaar verstreken sinds er weer een butskop in ons land verscheen. Het is al eerder gebeurd dat er een hele lange periode zonder enige butskopstranding was: tussen 1958 en 1984 zat een periode van 26 jaar, tussen 1884 en 1927 zelfs een periode van 43 jaar.

      figuur 1. Strandingen van butskoppen in Nederland sinds 1900.

      Opvallend is dat van de 14 butskoppen in ons land in de twintigste eeuw er 8 levend zijn gestrand. Dat, plus het feit dat het noordelijke walvissen zijn die in diep water foerageren en (misschien) zuidwaarts trekken, doet denken aan de eveneens diepduikende potvissen, die soms ook levend stranden (in Nederland 29 van de 49), én aan gewone spitssnuitdolfijnen, familie van de butskop, die ook regelmatig levend stranden (in Nederland 9 van de 26). (Ter vergelijking: van orka zijn 4 van de 25 exemplaren levend gestrand, van dwergvinvis 3 van de 46.) Er is nóg een overeenkomst tussen deze drie soorten: ze eten inktvissen die niet in de centrale of zuidelijke Noordzee voorkomen. Als ze hier lang voor de kust rondhangen, op zoek naar een zuidelijke doorgang naar diep water die er niet is, raken ze verzwakt. Gevaar van aanspoelen is dan niet ver meer.

      Er zijn naast de strandingen van dit jaar nog twee jaren waarin er twee butskoppen in ons land zijn gemeld: 1956 en 1993 (figuur 1). Die in 1956 strandden op 24 augustus op Texel (dood) en op 26 augustus op Ameland (levend). Het is niet bekend of die van Texel vers was, maar gezien de data en locatie is het voorstelbaar dat ze samen zijn opgetrokken en voor of op de kust van de Wadden zijn overleden. Dat geldt niet voor de twee butskoppen van 1993, want die strandden op 25 augustus bij Hargen (levend) en 10 november bij Rottumeroog (dood).

      Butskoppen zijn verspreid over het jaar in Nederland aangespoeld, in zeven verschillende maanden. Er is echter een duidelijke piek in de nazomer en herfst: van juli-november zijn 20 van de 23 exemplaren gestrand (figuur 2). Dit is wel een heel duidelijke aanwijzing voor dispersie of trek en dit patroon is geen toeval, want ook in het Verenigd Koninkrijk vinden strandingen vooral in de nazomer plaats (juli-augustus). Hetzelfde patroon zien we overigens bij gewone spitssnuitdolfijn (78% in juli-september, n=27) en potvis (74% in november-februari, n=78).

      figuur 2. Strandingen van butskoppen in Nederland per maand.

      dieet

      Van beide butskoppen zijn de maaginhouden verzameld en geanalyseerd. Beide bevatten een grote hoeveelheid inktvissnavels (figuur 3). Hiermee lijkt de maaginhoud sterk op die van butskoppen die in het buitenland zijn onderzocht. In magen van tien verschillende butskoppen die in de Noordzee waren gestrand, zijn in totaal 21 inktvissoorten zijn gevonden. De inktvis die steevast in dieetstudies wordt genoemd en in grote hoeveelheden wordt gevonden is Gonatus fabricii, een pijlinktvis waarvan grotere exemplaren zich ophouden tussen 400-1100 meter diepte. Ze planten zich in de noordelijke Atlantische Oceaan in het late voorjaar en voorzomer voort in vier relatief kleine gebieden. De zuidelijkste hiervan ligt ten westen van Trondheim in Noorwegen. In deze gebieden zijn niet geheel toevallig butskoppen in die tijd van het jaar talrijk aanwezig. Snavels van dezelfde inktvissoort worden ook gevonden in magen van potvissen en gewone spitssnuitdolfijnen. Potvissen eten de grootste, gewone spitssnuitdolfijnen de kleinste en die van butskoppen zitten daar tussenin.

      figuur 3. Snavels van de inktvis Gonatus fabricii uit de maag van een van de butskoppen uit de Westerschelde. De snavels zijn ongeveer een centimeter lang.

      Het blijft nog een raadsel waarom de inktvissnavels zo lang in de maag blijven. Fernandez et al. (2014) schrijven dat de snavels 'enkele dagen' in de maag blijven, maar de Zeeuwse butskoppen van dit jaar hadden minstens twee weken niets gegeten en hetzelfde geldt misschien ook wel voor andere spitssnuitdolfijnen en potvissen die hier aanspoelen. Je kan je niet voorstellen dat onder normale omstandigheden, als een butskop dagelijks eet, steeds een nieuw maal verse inktvis bij al die achterblijvende snavels wordt gepropt. Zouden snavels alleen opgebraakt of uitgepoept worden als er nieuw voedsel in de maag komt?

       

      walvissen in Westerschelde en Oosterschelde

      Hoe bijzonder is het voorkomen van butskoppen in de Ooster- en Westerschelde? In de Oosterschelde zijn ze nooit gestrand, maar in de Westerschelde wel: in 1757 bij Zaamslag, in 1873 bij Bath en in 1931 bij Waarde, alle drie toevallig (?) in het oostelijke deel van de rivier, niet ver van Terneuzen.

      In de database van Walvisstrandingen.nl staan voor de Westerschelde tot nog toe 228 gevallen van gestrande walvissen behorende tot 13 soorten geregistreerd, in de Oosterschelde zelfs 336 exemplaren van eveneens 13 soorten. Hierbij moet de opmerking worden gemaakt dat in 1825 bij Sint-Annaland op één dag 37 grienden strandden, in 1856 bij Arnemuiden 11 grienden op één dag. Beide zijn hier elk als 'één geval' gerekend. Van 5 soorten is in zowel de Westerschelde als in de Oosterschelde maar 1 exemplaar gevonden. In beide Scheldes samen gaat het om 16 verschillende soorten. De talrijkste is natuurlijk de bruinvis (83% van het totaal in de Westerschelde, 89% in Oosterschelde). Je zou kunnen veronderstellen dat buiten de bruinvis, die van nature voorkomt in estuaria, een ongekend hoog aantal walvissen verdwaald raakt in onze zuidoostelijke riviermondingen, bijvoorbeeld omdat ze naar het zuiden zouden willen trekken en een misrekening maken door de Westerschelde of Oosterschelde op te zwemmen. Voor geheel Nederland maakt bruinvis echter 91% van het aantal strandingen uit, niet wezenlijk verschillend dus van de percentages in beide Scheldes.

      De talrijkste niet-bruinvis in de Oosterschelde is tuimelaar met 15 exemplaren, gevolgd door gewone dolfijn met 7. Van de overige soorten zijn er 3 of minder gevonden. In de Westerschelde is potvis de talrijkste met 6 exemplaren, gevolgd door butskop en witsnuitdolfijn, elk met 5 exemplaren.

      De twee Scheldes zijn echter niet goed te vergelijken, want aan de monding van de Oosterschelde is sinds het eind van de jaren 1960 gesleuteld, en de Oosterscheldedam is nog altijd een barrière, terwijl de Westerschelde altijd open is gebleven. We zien dan ook dat de strandingen van bijzondere soorten in de Westerschelde de laatste jaren boven die in de Oosterschelde uittorenen (figuur 4), wat voorheen maar zelden het geval was.

      figuur 4. Strandingen van niet-bruinvissen in de Westerschelde (rood) en Oosterschelde (groen) per decennium (n=80).

       

      oorzaken

      Uiteraard wil iedereen graag weten waarom walvissen die hier eigenlijk niet thuishoren verdwaald raken in de zuidelijke Noordzee. Hiervoor is een aantal oorzaken te bedenken, zoals ziekte, voedselgebrek, vergiftiging of verstoring, misschien ook wel gewoon nieuwsgierigheid en ondernemendheid. In het geval van de butskoppen van 2020 wordt wel de NAVO-marineoefening 'Dynamic Mongoose' genoemd, die tussen 29 juni en 10 juli 2020 aan de zuidkant van IJsland plaatsvond, met onder andere vijf onderzeeboten. Bij deze oefening is sonar gebruikt en het is bekend dat deze de sonar van walvissen kan storen. Bovendien kunnen de dieren schrikken van de sonar of knallen en dan te snel naar boven zwemmen, waardoor ze caissonziekte zouden kunnen oplopen en misschien wel gedesoriënteerd zouden kunnen raken. Dit verschijnsel is bekend van diepduikende spitssnuitdolfijnen en heeft op andere plaatsen in de wereld al vaak voor massastrandingen gezorgd. Het lijkt moeilijk te geloven dat oefeningen op zee dieren tot 2000 kilometer uit de route zou drijven. Aan de andere kant is het opvallend dat naast de butskoppen in Nederland in september in dezelfde periode maar liefst 29 spitssnuitdolfijnen in West-Europa zijn gezien of gestrand: hieronder waren, naast de twee Nederlandse, een gewone spitssnuitdolfijn in België, twee in Engeland, zeven butskoppen in Ierland en vijf in de Faeröer-eilanden. Dit is een ongewone gebeurtenis en valt niet zomaar te verklaren. Onderzoek aan in ieder geval een butskop in Ierland bracht geen gehoorschade aan het licht. Of de NAVO-oefening en de strandingen met elkaar te maken hebben, zal moeilijk te bewijzen zijn. Massastrandingen van butskoppen zijn geen unicum, getuige de stranding van zes butskoppen in juli 2018 in Noord-IJsland (Grove et al. 2020), maar omdat butskoppen doorgaans ver van de kust in diep water leven, zijn massastrandingen van deze soort wel zeldzaam.

       

      referenties

      Fernandez R., J.G. Pierce, C.D. Macleod, A. Brownlow, R.J. Reid, E. Rogan, M. Addink, R. Deaville, P.D. Jepson & M.B. Santos 2014. Strandings of northern bottlenose whales, Hyperoodon ampullatus, in the north-east Atlantic: seasonality and diet. Journal of the Marine Biological Association of the United Kingdom 2014: 1-8.

      Golikov A.V., E.M. Blicher, L.L. Jørgensen, W. Walkusz, D.V. Zakharov, O.L. Zimina & R.M. Sabirov 2019. Reproductive biology and ecology of the boreoatlantic armhook squid Gonatus fabricii (Cephalopoda: Gonatidae). Journal of Molluscan Studies 85: 341-353.

      Grove T., C. Senglat, M. Petitguyot, D. Kosiba & M.H. Rasmussen 2020. Mass stranding and unusual sightings of northern bottlenose whales (Hyperoodon ampullatus) in Skjálfandi Bay, Iceland. Marine Mammal Science 2020: 1-9.

      Macloud DC.D., M.B. Santos & G.J. Pierce 2003. Review of data on diets of beaked whales: evidence of niche separation and geographic segregation. Journal of the Marine Biological Association of the United Kingdom 83: 651-665.

      Santos M.B., G.J. Pierce, C. Smeenk, M.J. Addink, C.C. Kinze, S. Tougaard & J. Herman 2001. Stomach contents of northern bottlenose whales Hyperoodon ampullatus stranded in the North Sea. Journal of the Marine Biological Association of the United Kingdom 81: 143-150.

      Whitehead H. & S.K. Hooker 2012. Uncertain status of the northern bottlenose whale Hyperoodon ampullatus: population fragmentation, legacy of whaling and current threats. Endangered Species Research 47: 47-61.

       

       

    • Maandoverzicht augustus 2020

      Juli, augustus en september strijden doorgaans om de hoogste aantallen gestrande bruinvissen. Dit jaar heeft juli het alvast gewonnen van augustus (en september is op moment van schrijven nog niet voorbij): in juli strandden er 120 dieren, in augustus waren dat er 'slechts' 40, overigens nog altijd meer dan gemiddeld 1 per dag. Het meerjarig gemiddelde voor augustus is hoog met 77 dieren. Dat wordt vooral veroorzaakt door het extreme jaar 2011, toen er in augustus 211 walvissen zijn gestrand, op twee na alle bruinvissen. Zonder dat jaar ligt het augustusgemiddelde op 67. Dit jaar is de wind niet een keer uitzonderlijk hard geweest, maar wel overwegend westelijk (aanlandig langs de westkust, tussen 1-6 en 14-29 augustus).

      Uit de Delta zijn deze maand 11 bruinvissen gemeld (waarvan 3 in de Oosterschelde en 1 ver oostelijk in de Westerschelde), van de Zuid-Hollandse kust 7, van de Noord-Hollandse kust 5 en uit het Waddengebied 17 (Texel 7, Vlieland 5, Terschelling 1, Ameland 3 en het Balgzand 1).

      Naast 38 bruinvissen zijn er twee bijzondere soorten gevonden: een gewone spitssnuitdolfijn (17 augustus, Oosterscheldekering) en een gewone dolfijn (31 augustus, Balgzand). Beide zijn helemaal niet zo gewoon als de Nederlandse naam suggereert.

      Gewone spitssnuitdolfijn is sinds 1900 slechts 25 keer in ons land gevonden; het exemplaar in 2020 was de 27e voor ons land. De dichtstbijzijnde regio waar deze soort voorkomt is in de wateren ten noordwesten van Schotland, waar hij voor zover bekend op grote diepte op inktvissen jaagt. Er zijn twee periodes geweest met meer vondsten dan gebruikelijk: 8 exemplaren tussen 1946-1957 en 9 tussen 2009-2020. Anders gezegd: 68% is gevonden in 11% van de tijd. In de periode 1920-1950 was het water in de noordelijke Atlantische Oceaan wat warmer dan gemiddeld en kwam er meer Atlantisch water de Noordzee in. Of er inderdaad een verband is met het veranderende klimaat is onduidelijk, maar de stijgende trend in de jaargemiddelde temperatuur sinds de jaren 1980 is overduidelijk. Het stranden van gewone spitssnuitdolfijnen lijkt steeds duidelijker een zomeraangelegenheid te worden, want 80% (20 van de 25) is gevonden in juli, augustus en september. Of het aanspoelen van de gewone spitssnuitdolfijn verband houdt met het aangespoelde exemplaar in Wenduine, België, op 7 augustus, en het aanspoelen van nog twee of drie gewone spitssnuitdolfijnen aan de Engelse oostkust in dezelfde periode, plus het aanspoelen van 7 butskoppen in Ierland en 11 op de Faeröer-eilanden, blijft vooralsnog de vraag.

      De gewone dolfijn was nummer 92 voor ons land sinds 1900. Hoewel er een aantal gewone dolfijnen zal zijn gemist, en een deel van de gevonden dolfijnen op onze kust ongedetermineerd is gebleven, heeft deze soort een duidelijk aanspoelpatroon, met de grootste aantallen en vrijwel jaarlijkse meldingen tussen 1925-1959 (72 van de 92; 78%; gemiddeld 2,1 per jaar). Tussen 1968-2005 waren er slechts 7 meldingen (gemiddeld 0,2 per jaar). Na 2005 zijn er alweer 10 meldingen (gemiddeld 0,6 per jaar). Het verband tussen het aanspoelen van gewone dolfijnen en stijging van de zeewatertemperatuur is al eerder gelegd. Ook het aanspoelen van gewone dolfijnen is een (na)zomergebeurtenis: 51% strandt in de periode augustus-oktober.

      Als extra bijzonderheid kan voor de bijzondere soorten nog worden toegevoegd dat beide vermoedelijk zijn gezien toen ze nog in leven waren. Op 12 augustus is een springende gewone spitssnuitdolfijn gefotografeerd nabij Wassenaar. Op 28 augustus is een min of meer ronddobberende gewone dolfijn met jong gezien en gefilmd in de Waddenzee nabij de noordpunt van Texel. Van het jong is daarna geen spoor meer gevonden.

    • Maandoverzicht juli 2020

      In juli stranden steevast meer walvissen dan in juni en dat was in 2020 ook zo: het maandtotaal is uitgekomen op maar liefst 120. Het gemiddelde aantal strandingen voor juli, gemeten over 2006-2019, ligt op 75. Hoewel het aantal van 119 geen julirecord is, is het dus wel extreem hoog. Er zijn in de geschiedenis van de walvisregistratie slechts twee jaren met een hoger julitotaal: 2012 met 130 en 2017 met 120. 2019 met 117 en 2011 met 116 waren extreem, terwijl 2016 met 99 eveneens uitzonderlijk was. Daaronder komt 2013 met 'slechts' 71 strandingen - overigens nog altijd gemiddeld ruim twee dieren per dag.

      Hoewel juli altijd een maand is met veel strandingen, zal het hoge aandeel in 2020 deels te wijten zijn aan de wind, die op slechts drie dagen na de hele maand westelijk was. Aan de andere kant kan de windrichting niet de enige verklaring zijn voor de hoge aantallen: in de hierboven genoemde jaren was de wind in juli ook overwegend aanlandig, maar in jaren met weinig strandingen was de wind soms wel overwegend aanlandig (bijvoorbeeld 2015) en soms niet (bijvoorbeeld 2018).

      Er zijn in juli 2020 dagelijks meldingen geweest (behalve op 18, 19 en 31 juli), met een maximum van 8 op 24 juli. In de Delta zijn 24 dieren gemeld (waarvan 2 in de Oosterschelde), tussen Hoek van Holland en IJmuiden 26, tussen IJmuiden en Den Helder 27, en in het waddengebied 42 (Texel 16, Vlieland 11, Terschelling 7, Ameland 4, Schiermonnikoog 3 en Rottumerplaat 1. Vier bruinvissen zijn levend gestrand.

      Tussen de 118 bruinvissen verschool zich één dwergvinvis. Deze dobberde op 12 juli ten zuiden van de westpunt van Schiermonnikoog, in de Waddenzee. Twee dagen later is het kadaver aangespoeld op het Westerstrand van Schiermonnikoog en is het restant aldaar begraven. Het was (pas!) de 46e dwergvinvis voor ons land en de 6e voor juli. De soort lijkt er in ons land niet een echt aanspoelpatroon op na te houden: er is een geringe toename te zien in de lente met een piekje in de zomer, waarna het aantal weer sterk afneemt in september. In november-januari zijn echter 22 dwergvinvissen gestrand, samen goed voor 41% van alle strandingen.

       

    • Maandoverzicht juni 2020

      Net als vorige maand zijn er ook in juni van dit jaar veel bruinvissen gestrand. Na een aanvangssprintje dat eind mei al inzette, liep het aantal gestaag op en is het maandtotaal uitgekomen op maar liefst 60 dieren, een kwart meer dan het meerjarig gemiddelde van 45. Alleen junimaanden van 2013 (met 95 gestrande walvissen) en 2016 en 2017 (beide met 68) zijn hoger uitgekomen. Er zijn voor dit hoge aantal twee oorzaken aan te wijzen. De eerste is domweg de tijd van het jaar – juni is bruinvisjongentijd, en inderdaad zijn ongeveer 15 van de gestrande bruinvissen kalfjes. Dit aantal is vast nog wat hoger geweest, want het formaat is niet altijd betrouwbaar van een foto te schatten, terwijl de meeste vinders deze bijzonderheid niet specifiek melden. De tweede reden is de overwegend harde aanlandige wind, waardoor ook bruinvissen die verder op zee dreven zijn aangespoeld. Veel bruinvissen waren dan ook rot, erg rot of heel erg rot en dus al geruime tijd dood. Er zijn deze maand geen andere soorten dan bruinvissen gemeld.

      Uit de Delta zijn 24 bruinvissen gerapporteerd (3 in de Oosterschelde), van de Zuid-Hollandse kust 10, van de Noord-Hollandse kust 14 en uit het Waddengebied 12 (Texel 4, Vlieland 4, Terschelling 1, Ameland 2 en Schiermonnikoog 1).

      Een hogere sterfte onder pasgeboren zoogdieren komt bij veel soorten, misschien wel alle soorten, voor. Dat er niet alleen na de bevalling zaken kunnen misgaan maar ook al tijdens de bevalling complicaties kunnen optreden, bewees de vondst van de bruinvis op Schiermonnikoog op 3 juni, waarbij de staart van het jong uit de moeder stak. Zowel moeder als kind zijn dus helaas 'in het kraambed' overleden.

      Een andere bijzonderheid deze maand is de vondst op 18 juni in de Oosterschelde van een bruinvis van min of meer bekende leeftijd. Deze is voor het eerst in 2011 gefotografeerd door medewerkers van Stichting Rugvin, eveneens in de Oosterschelde, en daarna met uitzondering van 2014 jaarlijks gezien. In totaal is ze 34 keer op de foto gezet, voor het laatst op 3 mei 2020. In 2017 had deze bruinvis een kalfje, dat ze vermoedelijk spoedig is verloren. Het is ons niet bekend of deze bruinvis in 2011 al volgroeid was en of ze in andere jaren in de jongentijd is gefotografeerd. Dat een bekende bruinvis uit de Oosterschelde dood wordt gevonden is bijzonder, maar niet uniek: het is al twee keer eerder gebeurd. De bruinvis is bewaard en zal dit najaar op de Universiteit van Utrecht worden onderzocht.

    • Maandoverzicht mei 2020

      In het eerste halfjaar zijn de maanden april, mei en juni meestal de maanden met de laagste aantallen aangespoelde bruinvissen. April 2020 was record laag, net als maart, en februari dit jaar was ook al lager dan gewoonlijk. De voorspelling die afgelopen maand is gedaan was dan ook dat het in mei en juni 'nog wel rustig zou blijven met bruinvisstrandingen'. Dat is niet gebeurd, want in mei zijn 42 strandingen geregistreerd, niet alleen meer dan verwacht maar ook meer dan het meerjarig gemiddelde van 38 (gemeten over 2005-2019). Uitschieters naar beneden in die reeks waren mei 2008 met 15 en mei 2015 met 17, uitschieters naar boven mei 2013 met 121 en 2006 met 60. Dat de verandering van aflandige naar aanlandige wind weinig van invloed zou zijn, omdat er weinig bruinvissen voor de Nederlandse kust lijken te verblijven, is dus niet gebleken. De wind sloeg eind april om naar westelijke richting en op 5 mei waren al 12 bruinvissen gemeld. Ook de rest van de maand zijn vrijwel dagelijks bruinvissen gevonden, met een bescheiden piekje van 4 op de 30e.

      In de Delta zijn 19 aangespoelde dieren gemeld (waarvan 2 in de Westerschelde en 2 in de Oosterschelde), langs de Hollandse kust slechts 6 en in het waddengebied 17 (Texel 6, Terschelling 1, Ameland 7, Schiermonnikoog 1 en de vastelandskust 2). Tegen het eind van de maand zijn de eerste jongen voor dit jaar gemeld. Twee bruinvissen zijn levend gestrand.

      Heel bijzonder waren de strandingen van een tuimelaar (12 mei, Wijk aan Zee) en een gestreepte dolfijn (30 mei, Harlingen). De tuimelaar betrof ongeveer nummer 370 voor de database, maar pas de eerste in deze eeuw als we drie botvondsten van tuimelaars en enkele ongedetermineerde dolfijnen niet meerekenen. De vorige strandde in april 1991. Het ging nu om de tuimelaar die onder de naam Zafar door het leven ging. Hij – het was een mannetje – leefde oorspronkelijk in Bretagne, West-Frankrijk, waar hij zich vaak in de buurt van schepen ophield. Het dier is op 30 april met een zeilschip naar Nederland meegezwommen, op 2 mei zelfs door de sluizen bij IJmuiden gegaan en tot in Amsterdam bij het schip gebleven. Vervolgens is hij met een bootje weer teruggelokt door hetzelfde Noordzeekanaal en op 3 mei via de sluizen weer in de Noordzee terechtgekomen. Op 4 en 5 mei is hij nog bij IJmuiden gezien. Daarna zwom hij wederom met een schip mee en is hij voor het laatst op 5 mei waargenomen op de Noordzee ter hoogte van Callantsoog. Helaas is zijn voorliefde voor schepen hem fataal geworden, want hij is ten slotte dood op het strand van Wijk aan Zee gevonden met afgehakte staart, ongetwijfeld door een scheepsschroef veroorzaakt. Omdat de (rest)stroom voor de Nederlandse kust noordwaarts is gericht, is het niet onwaarschijnlijk dat Zafar ten zuiden van Wijk aan Zee is verongelukt; misschien was hij wel weer op weg terug naar zuidelijker oorden.

      De gestreepte dolfijn die eind van de maand bij Harlingen strandde is door een wandelaar levend op een modderbank gevonden en weer terug in zee geduwd. Het dier is daarna in ieder geval tot en met 2 juni bij Harlingen gezien, gefotografeerd en gefilmd en mogelijk op 4 juni nog bij Kornwerderzand. Het betrof pas de 13e gestreepte dolfijn voor ons land en de 7e sinds 2000. De soort is in nu 9 van de 12 maanden waargenomen. De maanden zonder gestreepte dolfijnen zijn juli, augustus en september.

       

    • Maandoverzicht april 2020

      Zoals vorige maand al voorspeld is het aantal strandingen in april nóg lager uitgekomen: er zijn slechts 11 aangespoelde bruinvissen gemeld. Deze lagen in de Delta (2, Maasvlakte), Zuid-Holland (1), Noord-Holland (2) en het waddengebied (Texel 3, Vlieland 3). Er zijn geen andere soorten gevonden.

      Zeven van de acht kadavers waarbij iets bekend is over de toestand waren rot; deze hadden dus al een tijd rondgedreven voordat ze zijn gestrand. Het lage aantal strandingen past dus geheel in het beeld, maar er zijn wel enkele opmerkingen te maken. Je verwacht misschien dat er geen mensen op het strand komen vanwege de coronamaatregelen en er daarom geen bruinvissen worden gemeld, maar dat lijkt niet het geval: er worden dagelijks op het strand rustende of zieke grijze en gewone zeehonden gemeld. Wat wel van invloed is, is de windrichting: op 8 dagen na blies de wind uit oostelijke richting. We weten inmiddels dat drijvende bruinvissen niet alleen onder invloed staan van stroming, maar ook van windrichting. Zodra de wind aanlandig wordt, stranden er ook weer (meer) bruinvissen. Overigens zijn er heel weinig bruinvissen voor de kust, dus zelfs als de wind weer aanlandig wordt zullen de aantallen op het strand bescheiden blijven.

      Het gemiddelde aantal strandingen in april gemeten over 2005-2019 is 42 (minimum 13 in 2008, maximum 111 in 2013). Vorig jaar was het ook al erg laag, namelijk 18, gelijk aan het apriltotaal van 2015. Omdat april, mei en juni normaal gesproken de maanden met de laagste aantallen in het eerste halfjaar zijn (zie figuur 3 uit het jaarverslag van 2019), zal het de komende twee maanden dus nog wel rustig blijven met de bruinvisstrandingen.

    • Maandoverzicht maart 2020

      In andere jaren nemen de strandingen vanaf januari toe naar een piek in maart. Het maartgemiddelde is dan ook altijd flink hoog: sinds 2005 ligt dat op 55 dieren, met een uitschieter naar 111 in 2013. Dit jaar is het andersom: na 36 in januari en 25 in februari is maart geëindigd op een schamele 12 meldingen. Dat is een minimum sinds 2005, want het vorige dieptepunt was 26 (in 2015). Dat beloven dus hele rustige maanden te worden tot en met juni, want na maart nemen de aantallen aangespoelde dieren altijd af tot juli.

      Gezien het weer, en dan vooral de windrichting, wekt het geen verbazing dat vrijwel alle bruinvissen – 11 van de 12 – voor 18 maart zijn gevonden. Voor die datum was de wind overwegend westelijk, maar vanaf de 18e draaide die naar oostelijke richtingen.

      Uit de Delta zijn 2 meldingen ontvangen, van de Zuid-Hollandse kust 1 en van de Noord-Hollandse kust 2. De hoofdmoot kwam nu dus uit het Waddengebied (Texel 2, Vlieland 2, Terschelling 2 en Ameland 1). Andere soorten dan bruinvis zijn niet gemeld. Een van de twee bruinvissen op Texel is levend gestrand.

    • Jaaroverzicht 2019 online

      Het jaaroverzicht van 2019 staat online. Kijk op 2019 of klik hier.

    • Maandoverzicht februari 2020

      Meestal spoelen er in februari wat meer bruinvissen aan dan in januari, maar dit jaar was het andersom: er zijn slechts 25 strandingen geregistreerd, alle bruinvissen. Het meerjarig februarigemiddelde ligt op 38. Het aantal aangespoelde bruinvissen was in februari 2018 met 27 stuks vergelijkbaar laag. Voor aantallen onder de 25 moeten we terug naar 2008. Weliswaar waren er in februari 2015 nóg veel minder strandingen (18), maar 2015 was in alle opzichten een uitzonderlijk mager strandingsjaar.

      Omdat februari buitengewoon winderig is verlopen, was de verwachting dat er veel meer bruinvissen zouden stranden. Misschien dat de sterfte lager was dan anders, of dat er minder bruinvissen voor de kust waren.

      In de Delta zijn deze maand 7 dode bruinvissen gevonden (1 in de Oosterschelde), tussen Maasvlakte en IJmuiden 6, tussen IJmuiden en Den Helder 3 en op de Waddeneilanden 9 (Texel 1, Vlieland 1, Terschelling 1, Ameland 3 en Schiermonnikoog 3). Er is 1 bruinvis levend gestrand, bij Zandvoort.

    • Maandoverzicht januari 2020

      Met januari 2020 zitten we met 35 strandingen weer keurig op het meerjarig gemiddelde (2006-2019: 34). Januari 2019 was een vreemde eend in de bijt met maar liefst 49 strandingen in een verder aaneengesloten periode met lagere aantallen dan gemiddeld. In januari 2012 en januari 2014 zijn zeer hoge aantallen gestrand (respectievelijk 63 en 54), terwijl januari 2008 een ‘dieptepunt’ in de reeks was, met slechts 9 strandingen. Andere soorten dan bruinvis zijn niet gemeld.

      In de Delta zijn deze maand 8 dode bruinvissen gevonden (2 in de Oosterschelde), in Zuid-Holland 4, in Noord-Holland 14 en op de Waddeneilanden 11 (Texel 3, Vlieland 4, Ameland 2, Schiermonnikoog 2). Er is 1 levende bruinvis gestrand.

      Er waren, zoals vaker in de winter en lente, diverse verse maar sterk gehavende bruinvissen, die doen vermoeden dat er voor de kust grijze zeehonden actief op bruinvissen jagen. Gezien de data waren dat er ten minste 2, gezien de locaties ten minste 3.