Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2020

    Nieuws 2019

    • Jaaroverzicht 2019

      Jaaroverzicht walvisstrandingen 2019

      Sinds het begin van de jaren 1970 zijn we gewend aan jaarlijks stijgende aantallen aangespoelde walvissen, maar pas na 2005 hebben de aantallen écht een vlucht genomen. Het voorlopige 'hoogtepunt' was 2011, met nagenoeg 900 exemplaren een verdubbeling van het jaar ervoor. Het is misschien een opluchting dat de aantallen daarna zijn gedaald, maar ze schommelen van jaar tot jaar heel sterk (figuur 1). Vreemder nog dan de jaren met zeer hoge aantallen is 2015, een echte uitbijter met extreem lage aantallen. Of de aantallen aangespoelde dieren van de periode daarna, met 500-700 per jaar, 'gewoon' zijn geworden, moet de toekomst leren. Het aantal aangespoelde walvissen is voor 2019 uitgekomen op 516, iets minder dan de gemiddeld 561 in de periode 2005-2019.

      figuur 1. Strandingen van bruinvissen (oranje) en andere walvissoorten (blauw) tussen 2000-2019. De stippellijn is het gemiddelde over 2005-2019.

       

      2019 soortenarm, maar veel vinvissen

      Het jaar is betrekkelijk rustig verlopen, met alleen werkelijk hogere aantallen in juli (zie onder, bij bruinvis). Wat bijzondere soorten betreft was 2019 net als 2018 wat saai: er zijn maar 3 andere soorten gemeld. Wat een verschil met jaren als 2010, 2014 en 2017, elk met 7 verschillende bijzondere soorten, 2011 met 6, en 2012 en 2016 met elk 5!

      De eerste niet-bruinvis van 2019 betrof een schedel van een dolfijn, misschien een witsnuitdolfijn. Deze soort heeft in de decennia voor 2000 een belangrijk stempel gedrukt op de 'bijzondere strandingen', want er spoelden toen jaarlijks 1-13 exemplaren aan. Sinds 2000 gaat de soort wat betreft het aantal aangespoelde exemplaren echter hard achteruit: in de eerste tien jaren van deze eeuw, 2000-2009, spoelden er in totaal nog 49 aan, maar in het volgende decennium waren dit er maar 9, terwijl er in deze laatste periode maar liefst vijf jaar waren met 0 exemplaren. De levende witsnuitdolfijn van 7 augustus 2019 bij Kijkduin was dan ook een grote verrassing. Naast deze twee (mogelijke) witsnuitdolfijnen zijn nog eens 4 ongedetermineerde dolfijnen gevonden. Drie hiervan betroffen vondsten van losse botten, alle van grote dolfijnsoorten, misschien witsnuitdolfijn of tuimelaar. Alleen nummer vier, gevonden op 15 maart bij Wijk aan Zee, was eentje waar nog vlees aan zat. Helaas ontbrak de kop en restte er niet meer dan een wanordelijke hoop ribben, wervels en vlees. Er zijn enkele wervels verzameld, maar tot op heden zijn nog geen determinatiepogingen ondernomen.

      Een dode gewone vinvis is tegenwoordig een bijna jaarlijks terugkerend fenomeen. In de laatste twintig jaar, dus sinds 2000, zijn er maar liefst 15 exemplaren geregistreerd; in de twintig jaar ervoor (1980-1999) slechts 1! De soort was ook in 2019 weer present, dit keer met twee exemplaren. Die van 7 juni bij Vlissingen betrof geen echte stranding, maar een exemplaar dat door een schip was aangevoerd. Ook dat lijkt 'gewoon' te worden en het gold vast ook voor de tweede gewone vinvis die op 9 september bij Ter Heijde aan land is gesleept. Deze was net zo 'aanvaringsverdacht', gezien zowel de locatie – hij dreef in de vaargeul van de Nieuwe Waterweg – als de kapotte kop. Zoals al eerder op deze website is opgemerkt, is meer vinvissen nabij de Nederlandse kust geen teken van een gezonde zee. Het zou best een aanwijzing kunnen zijn voor een toegenomen populatie in de Golf van Biskaje, maar omdat schepen nog altijd groter, sneller en stiller worden, en er zeker niet minder schepen varen, neemt de kans dat een walvis wordt aangevaren toe. Helaas was er geen geld beschikbaar om de tweede vinvis te onderzoeken, een gemiste kans om dit soort bijzondere dieren nader te leren kennen. Dat vrijwel alle op onze kust gevonden gewone vinvissen waarschijnlijk uit de Golf van Biskaje komen, en eigenlijk allemáál aanvaringsverdacht zijn, blijkt ook uit de locaties waar ze gevonden zijn, namelijk alle ten zuiden van Noordwijk. Er is maar één uitzondering en dat is de gewone vinvis van 20 augustus 2017 die op Texel strandde. Dat dier was echter al op 7 augustus drijvend gesignaleerd ter hoogte van Den Haag en past dus helaas geheel in het plaatje. In de noordelijke Noordzee komen ook gewone vinvissen voor, maar die zijn niet geneigd naar het zuiden te verdwalen, terwijl er kennelijk ook geen, of minder, grote vrachtschepen via die route naar ons land komen. Een alternatieve verklaring is dat er in de Golf van Biskaje dermate dichte concentraties gewone vinvissen voorkomen, dat de kans dat ze daar worden aangevaren domweg veel groter is dan in het noorden.

      2019 was een echt vinvissenjaar, want behalve de twee gewone vinvissen zijn er ook 2 dwergvinvissen aangespoeld, pal na elkaar en beide in het noorden van het land, namelijk op 8 juli op Texel en op 9 juli op Schiermonnikoog. Die op Texel was een interessant exemplaar, niet alleen omdat zij – het was een vrouwtje – een sterk vergroeide wervelkolom had, maar ook omdat zij zich vlak daarvoor nog had volgegeten met sprot. De doodsoorzaak van dit dier was 'trauma' (lees: aanvaring), kennelijk ook een reëel gevaar voor walvissen op ons eigen grondgebied. De dwergvinvis van Schiermonnikoog kon wederom niet onderzocht worden vanwege ontbrekende middelen, de tweede gemiste kans van dit jaar. Vier vinvissen in één jaar is bijzonder, zij het niet uniek: in 2015 zijn er zelfs 5 vinvissen gestrand, 4 dwergvinvissen en 1 gewone vinvis. Voor eveneens 5 vinvissen binnen één jaar moeten we terug tot 1914, toen er 4 gewone en 1 dwergvinvis op onze kust zijn gevonden. De 'verdichting' in vinvismeldingen sinds 2000 is in figuur 2 heel goed zichtbaar en baart zorgen. Gestaag registreren en onderzoeken is het devies, want alleen zo kunnen we meer leren over de doodsoorzaken en misschien zelfs actie ondernemen om deze toppredatoren te beschermen.

      figuur 2. Strandingen van vinvissen (inclusief bultrug) in 1900-2019.

       

      Hoewel er jaarlijks enkele bijzondere walvissen op onze kust stranden, blijkt uit bovenstaande duidelijk dat de ondiepe en zandige zuidelijke Noordzee bij uitstek habitat is van de bruinvis en hooguit bij uitzondering van andere soorten.

       

      dode bruinvis voerde de boventoon

      Figuur 1, met strandingen van alle walvissen op onze kust sinds 2000, toont feitelijk de aantallen aangespoelde bruinvissen, want de andere soorten maken maar 2% uit van het totaal. Het jaartotaal over 2019 met 506 bruinvissen was 'heel gemiddeld' sinds de extreem hoge aantallen in 2011-2013 en maar iets onder het meerjarig gemiddelde. Gezien het beeld van figuur 3, met in maar liefst acht maanden lagere aantallen dan de respectieve maandgemiddelden, is het bijzonder dat het jaartotaal toch wat hoger is uitgekomen dan dat van 2018 (in dat jaar 468). Het was ook – alweer – een wat afwijkend jaar. Ten eerste viel het relatief hoge januariaantal op; doorgaans is dat lager dan in de maanden die erop volgen. Het was te meer bijzonder omdat de aantallen in november-december 2018 veel lager waren dan gemiddeld. Het hoge januariaantal van 2019 was merkbaar aan de Hollandse kust, met name in Zuid-Holland, terwijl de Delta in januari duidelijk lagere aantallen te zien gaf dan gebruikelijk.

      Het reguliere aanspoelpatroon, met pieken in maart en augustus, de blauwe lijn in figuur 3, was in 2019 afwezig. In tegendeel: er waren nu pieken te zien in januari en juli. Een jaar waarin het maarttotaal lager is dan in de maanden ervoor is tegenwoordig echt bijzonder. Alleen in Noord-Holland was er dit jaar een piekje in maart, terwijl de aantallen in januari en februari in deze provincie ook al hoog waren. Noord-Holland week ook af van de andere deelgebieden in de zomerpiek: die was hier namelijk verschoven naar augustus. De aantallen per maand zijn echter klein, dus misschien is de afwijking in Noord-Holland toeval. In de deelgebieden Delta, Zuid-Holland en Wadden was er een klein tweede aanspoelpiekje in oktober, dat in Noord-Holland afwezig was. Ook toeval? Dode bruinvissen daalden na oktober naar nog lagere aantallen, in november in Zuid- en Noord-Holland zelfs naar 0. Dit zijn echter de deelgebieden met de kortste kustlijn en hier is de kans op een maand met 0 aangespoelde bruinvissen dus het grootst. Toch komt 0 meldingen niet vaak voor: in de periode 2005-2019 in de Delta maar 2 keer, in Zuid-Holland 5 keer, in Noord-Holland 11 keer en in het Waddengebied 0 keer. Mede dankzij de piek in juli en de wederom zeer lage aantallen aan het eind van het jaar strandde bijna de helft (47%) van het jaartotaal in de maanden juli-september; normaal is dat 37%. Overigens schuift de zomerpiek over de jaren wel vaker heen en weer tussen juli en september.

      figuur 3. Maandelijkse aantallen gestrande bruinvissen (oranje staven, n=506) en het maandelijks gemiddelde aantal over 2005-2017 (blauwe lijn, n=7755).

       

      In vorige jaren leek de maartpiek sterk beïnvloed te zijn door het hoge aantal strandingen op Goeree. Daaronder bevonden zich dan veel verscheurde bruinvissen, niet zelden meerdere op een dag. De veronderstelling was dat die ten prooi waren gevallen aan één of misschien twee grijze zeehonden, die zich gespecialiseerd hadden in het jagen op bruinvissen. In dat geval zou het lage aantal in 2019 kunnen betekenen dat er op die plek geen grijze zeehonden actief waren. Alternatief is natuurlijk dat er geen bruinvissen waren om op te jagen.

      Het aandeel aangespoelde bruinvissen per deelgebied week ook wat af van het meerjarig gemiddelde: vooral de Delta heeft een veer gelaten en blijkbaar stuivertje gewisseld met het ernaast gelegen Zuid-Holland (de gekleurde taartpunten in figuur 4). Gemiddeld komt bijna een derde van de meldingen uit de Delta, maar in 2019 was dat maar een vijfde. Uit Zuid-Holland wordt gemiddeld krap een vijfde van het landelijk totaal gemeld, maar dit was in 2019 goed voor bijna een derde.

      Het landelijke gemiddelde aantal aangespoelde bruinvissen per kilometer kustlijn ligt op 1,7. Voor 2019 was dit 1,3. In drie deelgebieden was het wat hoger en in de Delta lager (de getallen in figuur 4). Dat is opvallend, want het kilometergemiddelde is daar altijd relatief hoog (1,8 in 2005-2018). Dat zou een waarnemerseffect kunnen zijn, maar dat lijkt gezien het grote en goed onderhouden netwerk van melders én de grote aantallen wandelaars op de betrekkelijk smalle stranden vrijwel ondenkbaar. Grote jaarlijkse schommelingen in meldingen verwacht je eerder in het Waddengebied, waar het nagenoeg onmogelijk is om de uitgestrekte stranden en kwelders gebiedsdekkend en het hele jaar in de gaten te houden. We hebben overigens ervaren dat het nóg lager kan: in 2017 was het kilometergemiddelde in Noord-Holland slechts 0,4. Het is dan ook riskant om aan getallen uit één jaar grote conclusies te verbinden. Daarnaast is de opdeling in deelgebieden zoals we die hier gebruiken kunstmatig; bruinvissen zien een eventuele onderverdeling misschien wel heel anders (vanaf onder water) dan wij (vanaf land).

      figuur 4. Aandeel gestrande bruinvissen voor de vier deelgebieden Delta (D, blauw), Zuid-Holland (ZH, rood), Noord-Holland (NH, groen) en Wadden (W, paars) voor 2019 vergeleken met de periode ervoor. De getallen geven het gemiddelde per kilometer kustlijn per jaar.

       

      In hoeverre werkzaamheden op de Noordzee van invloed zijn op de aangespoelde aantallen is niet bekend, maar wel iets om in de gaten te houden. In 2019 is begonnen met de voorbereidende werkzaamheden voor windparken Borssele I en II. Die komen ter hoogte van Vlissingen weliswaar twintig kilometer uit de kust, maar misschien is niet alleen het heien verstorend voor bruinvissen (dit is inmiddels bekend), maar zijn ogenschijnlijk minder storende werkzaamheden als graven, baggeren en heen en weer varen dat ook al. In België zijn al diverse windparken operationeel. Het lage aantal aangespoelde dieren roept associaties op met de activiteiten bij de Hondsbossche Zeewering, waar enkele jaren geleden, ten tijde van de opspuitwerkzaamheden, geen dode bruinvis op het strand te bespeuren viel, terwijl in de jaren ervoor het aanspoelpatroon van bruinvissen in Noord-Holland vergelijkbaar was met dat elders langs de kust.

       

      sekse en leeftijd

      In 2019 is van 255 dode bruinvissen het geslacht bepaald, ongeveer de helft van het jaartotaal dus. Daarbij bewijzen foto's van de buikzijde steeds grote diensten, want het aandeel bruinvissen dat door melders wordt gesekst is doorgaans lager, terwijl er ook wel eens een foute sekse wordt toegekend. Over de jaren blijft het aandeel gesekste dieren zeer constant: 50,4% in 2019 tegenover 50,2% in 2005-2018. Ook het aandeel mannetjes is opvallend vergelijkbaar, namelijk 58,4% in 2019 tegen 58,2% in de vergelijkingsperiode. Over 2005-2018 liep het aandeel mannetjes van zuid naar noord af van 62% in de Delta naar 55% in het Waddengebied en in 2019 was dit patroon vergelijkbaar. Alleen in het Waddengebied was het aandeel mannetjes erg hoog (80%), maar dat houdt misschien verband met het lage aantal gesekste dieren daar (45 exemplaren).

      Het spreekt voor zich dat niet alle aangespoelde bruinvissen op het strand gemeten kunnen worden; een deel van de exemplaren is nu eenmaal incompleet. Het aandeel gesekste bruinvissen dat ook gemeten is, is dus lager dan het aandeel gesekste dieren. Het is echter zorgelijk dat het aandeel gemeten dieren per sekse door de jaren heen steeds lager wordt; in de periode 2005-2012 schommelde dit steeds rond de helft, maar vanaf 2013 is dit nog maar een vijfde (figuur 5). Om beter inzicht te krijgen in het wel en wee van een populatie is het van belang om in de gaten te houden welke sekse- en leeftijdscategorieën sterven; worden er bijvoorbeeld alleen jongen op het strand gevonden, of zijn het vooral dieren van één sekse? Het devies blijft dan ook: meten en seksen, ook al is het extra werk.

      figuur 5. Percentage bruinvissen waarvan zowel geslacht als lengte is bepaald.

       

      Lengte is bij walvissen een goede aanwijzing voor leeftijd, maar bij volwassen bruinvissen zijn vrouwtjes van gelijke leeftijd groter dan mannetjes. Als grove maat kan worden gesteld dat alle bruinvissen onder 100 cm jonger zijn dan 1 jaar. Voor mannetjes stelt men dat ze tot 120 cm nog niet volwassen zijn en daarboven wel. Voor vrouwtjes houden we hiervoor 130 cm als grens aan. In 2019 zijn bijzonder weinig 1-jarige vrouwtjes gevonden, namelijk 7% (2 exemplaren). In de laatste negentien jaar was dit 18% (n=3037). Afgezien van sekseverschillen was de sterfte in 2019 over de verschillende leeftijdsgroepen wel sterk vergelijkbaar met het algemene beeld, met 24% jongen, 39% onvolwassen en 38% volwassen dieren (figuur 6).

      figuur 6. Leeftijdsverdeling van gestrande bruinvissen in 2019 vergeleken met 2005-2018 (jong - blauw, subadult - rood en adult - groen), gebaseerd op lengte.

       

      bruinvismoeheid?

      Dat het percentage gemeten én gesekste bruinvissen steeds lager wordt (figuur 5) komt misschien wel door 'bruinvismoeheid'. Het bruinvisstrandingsonderzoek was in de beginjaren 2000 nieuw en de aantallen aangespoelde dieren waren tot 2010 nog enigszins behapbaar. Daarna kwamen de jaren 2011-2013, met niet alleen extreem grote aantallen, maar ook met veel aandacht: er zijn toen honderden kadavers verzameld voor onderzoek. Sinds duidelijk is dat de sterk beschadigde dieren, in tegenstelling tot wat aanvankelijk werd gedacht, vermoedelijk een natuurlijke dood zijn gestorven (namelijk door grijze zeehonden), en er (daardoor?) minder geld beschikbaar is gesteld voor onderzoek, lijkt de aandacht voor het op het strand verzamelen van gegevens aan dode bruinvissen, zoals lengte en sekse, wat weggeëbd. Dit is jammer, want alleen lange meetreeksen geven inzicht in veranderingen, in tegenstelling tot af en toe een steekproef. Daarom hierbij het verzoek aan alle melders: probeer van elke bruinvis zowel de sekse als de lengte te bepalen, en als dat niet mogelijk is dan toch ten minste een van de twee variabelen. Stuur altijd enkele foto's van het hele kadaver mee, zowel van de buik als van de linker- en rechterkant. Dat is van belang voor nu, maar betekent dat ook over tientallen jaren onze opvolgers nog kunnen terugkijken in de tijd en misschien zaken kunnen bepalen waar nu nog geen aandacht voor is.

       

      dankwoord

      In 2019 zijn wederom honderden mensen betrokken geweest bij het melden, ophalen en/of anderszins communiceren van en over bruinvissen. Allen daarvoor wederom hartelijk dank. En blijf melden!

      Guido Keijl, Naturalis

      [dit bestand is ook hier te downloaden als pdf]

    • Maandoverzicht december 2019

      Wat voor november dit jaar gold, gold ook voor december: weinig strandingen, namelijk 19, veel minder dan gemiddeld (32). Weliswaar waren de decemberstrandingen in 2016 (38) en 2017 (44) ook hoog, net als in november in die jaren, maar er zijn in de jaren daarvoor wel vaker hoge aantallen gestrande dieren geweest, met 2011 als uitschieter met 58.

      Uit de Delta kwam deze maand slechts 1 melding, van de Hollandse kust 6 (1 in Zuid-Holland) en van de Wadden 12 (Texel 3, Vlieland 6, Terschelling 1, Ameland 2). Ook deze maand zijn uitsluitend bruinvissen gevonden.

    • Maandoverzicht november 2019

      In lijn met de meeste maanden van dit jaar waren ook de novemberaantallen laag: er zijn deze maand maar 14 strandingen gemeld, slechts de helft van wat er gemiddeld strandt (28). Het lijkt dus extreem laag, maar dat valt wel mee, want het meerjarig gemiddelde wordt sterk omhooggetrokken door november 2016 met 43 strandingen en november 2017 met 58 strandingen. Zonder die twee jaren is het gemiddelde aantal strandingen, gemeten vanaf 2006, voor november 27.

      De strandingen waren deze maand als volgt over het land verdeeld: Delta 5, Hollandse kust 0, Waddenzee 9 (Wieringen 1, Vlieland 1, Terschelling 1, Ameland 4, Rottumeroog 1). Er zijn uitsluitend bruinvissen gemeld en voor zover bekend slechts 2 verse.

    • Maandoverzicht oktober 2019

      Na de hoge aantallen in de zomer geeft oktober doorgaans weer lagere aantallen strandingen te zien, en dat was dit jaar ook zo: in oktober 2019 zijn 48 meldingen gedaan, iets meer dan het meerjarig gemiddelde van 43. Jaren met zeer hoge aantallen waren 2011 met 114, op afstand gevolgd door 2017 met 84. Daar tegenover staat 2015, toen bijzonder weinig strandingen zijn gemeld (17), het laagste oktobertotaal sinds 2005.

      Een aanzienlijk deel, maar liefst 21 dieren, strandde in de eerste vijf dagen van de maand, toen de wind vooral in de noordhoek zat. De rest van de maand was de wind overwegend zuidelijk en waren de aantallen aangespoelde dieren laag.

      Uit de Delta zijn deze maand 19 meldingen ontvangen (waarvan 4 in de Oosterschelde), van Zuid-Holland (slechts) 8, Noord-Holland (slechts) 4 en het Waddengebied 17 (Noordburen 1, Razende Bol 1, Texel 1, Vlieland 9, Terschelling 1, Ameland 4). Er zijn uitsluitend bruinvissen gevonden en geen enkele levende.

    • Maandoverzicht september 2019

      Maandoverzicht september 2019

      In september dit jaar zijn 64 meldingen ontvangen. Dat is nauwelijks meer dan het meerjarig septembergemiddelde van 61. Dit meerjarig gemiddelde wordt sterk omhooggetrokken door 2011 en 2012, toen er meer dan 100 bruinvisssen zijn gemeld; zonder die twee jaren is het gemiddelde 51.

      Uit de Delta zijn 17 meldingen ontvangen, maar vooral Zuid-Holland viel deze maand ‘in de prijzen’, met maar liefst 25 strandingen. Noord-Holland stak daar wel heel mager tegen af, met slechts 5. Uit het waddengebied zijn 17 strandingen gemeld (Texel 4, Vlieland 8, Terschelling 3 en Ameland 2).

      Op een melding na betroffen alle strandingen bruinvissen. De ene bijzondere was de gewone vinvis in de Nieuwe Waterweg van 10 september. Het was al de tweede gewone vinvis dit jaar (de vorige was die van Vlissingen van 7 juni) en wederom een groot exemplaar dat op de bulb van een vrachtschip is binnengevaren.

    • Maandoverzicht augustus 2019

      Augustus was met 50 strandingen rustiger dan het meerjarig gemiddelde, dat op 77 ligt. Het was zelfs het laagste augustustotaal sinds 2007, met uitzondering van 2015, toen er in augustus wel heel weinig dieren zijn gestrand (21). In alle andere jaren lag het aantal strandingen hoger; absolute uitschieter was augustus 2011, toen er 209 bruinvissen zijn gemeld. Zonder dat jaar ligt het gemiddelde echter nog altijd op 67, een bevestiging dat we qua strandingen tegenwoordig in rustiger vaarwater zijn terechtgekomen.

      Uit het Deltagebied kwamen deze maand 15 meldingen (waarvan 1 uit de Oosterschelde), van zowel Zuid-Holland als Noord-Holland 14 en van de Wadden een magere 7 (Texel 3, Vlieland 1, Terschelling 2 en Ameland 1). De strandingen waren redelijk gelijkmatig over de maand verdeeld met vrijwel dagelijks 1-4 dieren. Alleen op 2 augustus zijn maar 6 bruinvissen gemeld. De wind kwam een groot deel van de maand uit westelijke richtingen, maar draaide naar oost vanaf de 23e en rond die periode zijn er wat minder strandingen gerapporteerd. De lage aantallen op de Wadden zijn misschien te verklaren doordat er deze maand geen noordwestelijke of noordenwind is geweest en de wind slechts vier dagen uit het noordoosten heeft gewaaid.

      Alle strandingen betroffen bruinvissen, behalve de levende witsnuitdolfijn op 7 augustus bij Kijkduin. Helaas gaf dit dier al spoedig de geest. Hoewel nog niet alle sectieresultaten bekend zijn, weten we dat het een volwassen vrouwtje betrof dat dit jaar geen jong had gebaard. Ze had een recent hersenbloeding gehad. Of dat de doodsoorzaak is geweest, is nog niet duidelijk. In de database van walvisstrandingen staan nu 233 witsnuitdolfijnen geregistreerd. Bijna driekwart (71%) stamt uit een periode van slechts 25 jaar (1981-2005). In deze periode spoelden jaarlijks meerdere witsnuitdolfijnen aan, tot zelfs 13 in 1990. Sinds 2005 zijn er nog maar 19 witsnuitdolfijnen gemeld en in vijf jaren tussen 2005-2019 nul; de soort lijkt zich langzaamaan terug te trekken uit de zuidelijke Noordzee.

    • Maandoverzicht juli 2019

      In juli zijn dit jaar erg veel bruinvissen gestrand: maar liefst 107. Er waren dagelijks meldingen (met uitzondering van de 25e). De drukste dagen waren 7-10 juni, toen er elke dag 6 of meer dieren zijn gemeld. Gemiddeld stranden er in juli 68 bruinvissen en jaren met meer dan 100 zijn zeldzaam: dit is alleen gebeurd in 2011 (116 dieren), 2012 (130) en 2017 (121).

      Uit het Deltagebied kwamen deze maand 17 meldingen (slechts 1 uit de Oosterschelde), van de kust van Zuid-Holland 38, Noord-Holland 13 en de Wadden 39 (Texel 5, Vlieland 16, Terschelling 11, Ameland 3, Schiermonnikoog 2 en de vastelandskust 2). Hoewel de aantallen overal dus hoog waren, vallen die van de Zuid-Hollandse kust en Terschelling wel erg op. In Zuid-Holland was het vooral in de eerste helft van de maand erg druk: twee derde (26 van de 38) strandde voor 15 juli. In de Delta en Noord-Holland was deze trend niet zichtbaar, maar in het Waddengebied was het zelfs nog sterker, want daar strandden zelfs 32 van de 39 tussen 1-15 juli.

      Naast 105 bruinvissen zijn er ook 2 dwergvinvissen gemeld (8 juli Texel en 9 juli Schiermonnikoog). Dwergvinvissen zijn in alle maanden van het jaar gevonden, in het winterhalfjaar (oktober-maart) net iets meer dan in de zomer: 26 tegenover 19. Of deze verdeling over het jaar reëel is is de vraag, want een deel van de rotte en/of incomplete dwergvinvissen zal niet herkend zijn en staat in de database als 'kleine walvis', of misschien zelfs 'walvis of dolfijn'. De dwergvinvis van Texel had goed gegeten: de maag en darm bevatten resten van ten minste 1000 vissen, voornamelijk sprot. Bijzonder aan dit dier was de sterke vergroeiing van de wervelkolom, maar gezien de maaginhoud is dat vermoedelijk niet de reden van overlijden geweest. Het was helaas niet mogelijk om ook de maag van de dwergvinvis van Schiermonnikoog te onderzoeken.

    • Maandoverzicht juni 2019

      Overeenkomstig de meerjarige voorspellingen ligt het aantal gevonden bruinvissen voor juni weer wat hoger dan voor mei: er zijn 32 dieren gemeld. Dit is nog altijd duidelijk minder dan het meerjarig gemiddelde van 46, maar niet meer zo extreem weinig als in april dit jaar. Juni 2013 spande overigens de kroon met maar liefst 95 gestrande dieren!

      In de Delta zijn deze maand 8 dieren gestrand (waarvan drie in de Oosterschelde) en van de Hollandse kust eveneens 8 dieren (5 ten zuiden van IJmuiden, 3 ten noorden daarvan). Uit het Waddengebied kwamen maar liefst 16 meldingen, waarvan alleen al 12 van Vlieland; daarnaast zijn er 3 op Ameland gevonden en 1 op de Friese vastelandskust. Er waren vrijwel dagelijks meldingen, met uitzondering van een ‘gaatje’ tussen 10-19 juni, een periode met heel rustig weer en vaak wind vanuit oostelijke richting.

      Alle gestrande dieren betroffen bruinvissen, behalve de gewone vinvis van 7 juni. Dit was geen ‘echte’ stranding, maar een dier dat op de bulb van een vrachtschip is meegevoerd, waarschijnlijk vanuit de Golf van Biskaje. Waar hadden we dat ook alweer eerder gehoord ....?

    • Maandoverzicht mei 2019

      Ook mei viel wat lager uit dan het meerjarig gemiddelde, maar minder extreem dan in voorgaande maanden: er zijn deze maand 25 dode dieren gemeld. Het meerjarig gemiddelde voor mei ligt op ruim 38. Afgezien van een los schouderblad van een ongedetermineerde dolfijn (mogelijk tuimelaar) op Schiermonnikoog ging het ook deze maand alleen om bruinvissen.

      Er was een opvallend ‘gat’ in strandingen te zien rond het midden van de maand, met slechts 2 meldingen tussen 7 en 24 mei (op de 10e en op de 21e). Vanaf 25 mei volgden er weer dagelijkse meldingen. Niet geheel toevallig zat de wind in deze periode grotendeels in de noord- of oosthoek; pas vanaf de 22e kwam er weer een westcomponent in de wind en pats, daar waren de dode bruinvissen weer.

      Ook nu zijn er in het Deltagebied weinig dieren gevonden, namelijk 5 (waarvan 1 in de Oosterschelde). Langs de kust van Zuid-Holland zijn 4 bruinvissen gemeld, in Noord-Holland 4, maar de klapper viel in het Waddengebied met 11 dieren (waarvan 8 op Vlieland, 2 op Terschelling en 1 op Ameland). Er is 1 levende bruinvis gevonden (2 mei op Vlieland).

    • Maandoverzicht april 2019

      Zou in april het ‘all time low’ bereikt zijn? Er zijn deze maand slechts 12 strandingen gemeld, bijna vier keer minder dan het meerjarig gemiddelde van 43 voor april. Er lijken inderdaad veel minder bruinvissen voor onze kust te zijn dan in voorgaande jaren, maar deze maand speelde de langdurige aflandige wind waarschijnlijk ook een belangrijke rol. Van 6 tot en met 26 april zat de wind namelijk in de oosthoek en na 6 april zijn er nog maar drie vondsten gedaan. Overigens zijn onder de 12 strandingen twee vondsten van (niet verse) dolfijnenschedels; er zijn dus maar 10 bruinvissen gemeld.

      Naast de twee dolfijnresten zijn in het Deltagebied 2 bruinvissen gevonden (1 in de Westerschelde), in Zuid-Holland 3, Noord-Holland 3 en op de Wadden 2 (beide op Texel). Er is 1 levende bruinvis aangetroffen (21 april Breskens).

    • Maandoverzicht maart 2019

      Ook deze maand is het aantal strandingen lager dan het meerjarig gemiddelde, minder dan de helft zelfs: 27 tegenover 57. Het is daarmee het op een-na-laagste maarttotaal sinds 2005 (in dat jaar ook 27). Alleen in maart 2015 waren het er nog minder, namelijk 26.

      Naast bruinvissen is er 1 andere soort gemeld, namelijk een ongedetermineerde dolfijn (15 maart Wijk aan Zee). Een schedel was niet meer aanwezig, maar er konden in de hoop huid en vlees nog twee wervels worden gevonden. Misschien dat de dolfijn in de toekomst, als de wervels zijn schoongemaakt en de collectie van Naturalis weer toegankelijk is, nog gedetermineerd kan worden. Gezien de afmetingen liggen tuimelaar of witsnuitdolfijn voor de hand.

      Het Deltagebied ‘scoorde’ deze maand met slechts 4 strandingen (waarvan 2 in de Oosterschelde) nog lager dan februari. Ook in Zuid-Holland zijn erg weinig bruinvissen gevonden (4). In Noord-Holland waren het er nu wat meer dan vorige maand (10) en dat geldt met 9 exemplaren ook voor de Waddeneilanden (2 op Texel, 5 op Vlieland en 2 op Ameland). Er zijn verspreid over het land maar liefst vier bruinvissen levend gestrand, terwijl er twee weliswaar dood gevonden zijn, maar met nog levende parasieten; ook die twee waren dus nog maar nét dood.

    • Maandoverzicht februari 2019

      Wat aantallen betreft leek februari niet veel op januari: er zijn 'maar' 33 dode bruinvissen gemeld, duidelijk minder dan de 49 van vorige maand. Het is ook iets lager dan het meerjarig gemiddelde, dat op 37 ligt. Het hoogste februariaantal is 58, precies tien jaar geleden, het laagste was 18 in 2015. Er zijn alleen maar bruinvissen aangetroffen.

      Uit de Delta zijn slechts 9 bruinvissen gemeld (waarvan 1 uit de Oosterschelde), uit Zuid-Holland 10, Noord-Holland 9 en het waddengebied 5 (Texel 2, Terschelling 1, Ameland 1, Schiermonnikoog 1). Verscheurde of incomplete kadavers zijn langs de hele kust gevonden. Twee bruinvissen zijn levend gestrand (Scheveningen, Haamstede).

    • Maandoverzicht januari 2019

      De maandtotalen dode bruinvissen vliegen alle kanten op tegenwoordig. November 2018 was qua aantallen een extreem ‘dieptepunt’ met slechts 6 dieren, terwijl in december niet heel veel meer dieren zijn gemeld (14). Januari 2019 schoot de andere kant op: er zijn deze maand 49 strandingen ontvangen, ruim meer dan het januarigemiddelde van 32 (over 2005-2018).

      In de Delta waren de aantallen bruinvissen nog steeds laag, met slechts 4 meldingen. De grote klap kwam van Zuid-Holland, met maar liefst 24 meldingen, en ook de Noord-Hollandse kust had met 10 dieren relatief veel dode bruinvissen. Uit het waddengebied zijn 11 meldingen ontvangen (Texel 2, Vlieland 4, Terschelling 3, Ameland 1 en Groningse vasteland 1).

      Bijzonder was de ‘massastranding’ in Zuid-Holland. Op 19 januari zijn zelfs 8 dode bruinvissen gemeld, waarvan 7 tussen Noordwijk en Vogelenzang. Het ging in 5 van de 7 gevallen om afgekloven kadavers, de meeste om losse staartstukken (4 van de 5). Tegenwoordig wordt er dan algauw naar grijze zeehonden gewezen, maar hoewel die misschien gekloven hebben, hoeven zij niet de doodsoorzaak te zijn geweest. Overigens zijn er deze maand veel verscheurde bruinvissen gevonden, namelijk 24. Dit getal is niet helemaal betrouwbaar, want het is bepaald aan de hand van foto’s. We ontvangen helaas niet van elke dode bruinvis een foto, terwijl er soms maar 1 foto per melding geleverd wordt en dan maar 1 kant van het dier kan worden bekeken. Een vergelijking van ‘mate van verscheuring’ met getallen uit januari van andere jaren is (nog) niet gemaakt.

      Er zijn 2 bruinvissen levend gestrand, beide op 28 januari (Vlieland en Terschelling). Andere soorten zijn deze maand niet gemeld.