Walvisnieuws 2010
De tweede spitssnuitdolfijn van 2010?
Enige tijd geleden meldde Jaap van der Hiele een foto van een dolfijn in een boek over de historie van Veere. Navraag leverde inderdaad een foto op van een gewone spitssnuitdolfijn, gestrand op donderdag 8 augustus 1957. Dit is dus, met terugwerkende kracht geteld, de elfde voor ons land. In totaal zijn nu zeventien exemplaren bekend. Het is dus niet de tweede spitssnuit voor dit jaar, maar wel een nieuwe, want ook al was deze stranding gepubliceerd, walvisminnend Nederland kende 'm nog niet. De stranding is opgenomen in de landelijke database. Een foto is gepubliceerd in het boek Veere in vroeger tijden, deel 3 van J.H. Midavaine (1996, uitgeverij Deboektant, Oostvoorne). De digitale foto's, afkomstig van de Zeeuwse Bibliotheek/Beeldbank/PZC, zijn inmiddels digitaal beschikbaar en te bekijken bij de betreffende stranding op deze site.
Maandoverzicht november 2010
Ook in november strandden er weinig bruinvissen: slechts 18 zijn er gemeld. Dat is opnieuw iets onder het gemiddelde van 21, gemeten sinds 2002. Topjaren waren 2006 (33 exemplaren) en 2008 (32), maar kennelijk kan het aantal sterk schommelen, want in de tussenliggende jaren 2005 en 2007 zijn er eveneens 18 gemeld. Op de Zeeuwse eilanden zijn er 5 gevonden, in Zuid- en Noord-Holland 8 en op de Wadden 5. Er zijn geen andere soorten gevonden.
Maandoverzicht oktober 2010
In oktober zijn slechts zestien bruinvissen gestrand. Dit is veel minder dan het gemiddelde sinds 2002, dat op 22 ligt. Alleen in oktober 2002, 2003 en 2005 strandden er nog minder. Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden waren nu goed voor 3 bruinvissen, de vastelandskust van Zuid- en Noord-Holland voor 7 (waarvan slechts twee boven het Noordzeekanaal) en de Wadden voor 6. Er zijn dit keer geen bijzondere vondsten gemeld.
Maandoverzicht september 2010
September liet weer een aanzienlijk lager aantal strandingen zien dan de maanden ervoor, zoals in de voorgaande jaren gebruikelijk was: de teller is blijven steken op 27. Gemiddeld strandden er sinds 2002 in september ruim 24 walvissen, dus we zitten dit jaar nog steeds een fractie aan de hoge kant. Feitelijk was de lage strandingsfrequentie al eind augustus ingezet. Van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden zijn dit keer 10 kadavers gemeld, van de vastelandskust van Zuid- en Noord-Holland 7 en van de Wadden 10. Opnieuw dient vermeld te worden dat deze getallen voorlopig zijn; zo zijn helaas nog geen gegevens ontvangen van Terschelling en Schiermonnikoog, waar toch ook wel bruinvissen zullen zijn aangespoeld (vergelijk Texel en Vlieland beide 4, Ameland 1).
Bijzondere vondsten waren dit keer een witsnuit-/witflankdolfijn op Texel op 16e en een mogelijke griend op Rottumerplaat op de 4e. De juiste determinatie van de laatste komt nog wel rond, die van de eerste helaas niet meer, omdat het kadaver per ongeluk naar de destructie is vervoerd.
.... en dat maakt twintig.
Op zaterdag 4 september 2010 fotografeerde John de Boer een walviskarkas op de Bosplaat, onder Rottumerplaat, en stuurde de foto's aan Kees Camphuysen, die ze vervolgens naar Naturalis stuurde. In eerste instantie dachten wij dat het wel het kadaver zou zijn van de dwergvinvis die in mei was gestrand op Engelsmanplaat. Die is daar namelijk verdwenen en vervolgens aangespoeld op de oostpunt van Schiermonnikoog. Enige studie en raadpleging van de achterban doet echter vermoeden dat het niet om een dwergvinvis maar om een griend gaat. Dat zou pas de twintigste griend zijn voor Nederland, zeldzaamheid nummer zoveel dus dit jaar! Momenteel wordt gepoogd enkele wervels te verzamelen, om aan de hand daarvan de determinatie rond te krijgen. Met dank aan Chris Smeenk, Erwin Kompanje, John de Boer (ook voor de foto's) en Kees Camphuysen voor melden en hulp bij de determinatie.
![]() |
![]() |
Egmondse spitssnuit gestrand in Engeland

Zoals al eerder gemeld strandde op 22 juli een gewone spitssnuitdolfijn aan de Engelse zuidkust. De Egmondse strandwacht Werner Visser herkende het dier als dezelfde die in Egmond was gestrand. Rob Deaville, van het Britse UK Cetacean Strandings Investigation Programme/ZSL, stuurde ons bijgaande foto, een compositie van een beeldje van een youtube-filmpje gemaakt in Egmond en het dier in Engeland. De Egmondse spitssnuit vertoonde veel littekens, vermoedelijk vooral veroorzaakt door tanden van soortgenoten tijdens gevechten. Aan de hand van die littekens is te zien dat het inderdaad om hetzelfde dier gaat en ook een aantal andere kenmerken, zoals aangroeisels aan op de tanden, wijzen hier op. Op de dolfijn, een mannetje, is sectie verricht. Hieruit is nog geen duidelijke doodsoorzaak naar voren gekomen, maar het dier was mogelijk uitgeput en uitgedroogd als gevolg van dagenlang vasten. Met dank aan Marjan Addink voor het speurwerk, Werner Visser voor aanvullende informatie en Rob Deaville voor de foto en de sectiegegevens.
Maandoverzicht augustus 2010
Zoals het aantal strandingen in juli dit jaar hoger was dan gemiddeld, zo was dit ook in augustus het geval: er zijn tot nog toe 55 strandingen geregistreerd, terwijl dit sinds 2002 gemiddeld op 40 lag. Alleen in 2005 (57) en 2006 (66) was het aantal meldingen hoger. Waarschijnlijk druppelen er nog wel enkele bruinvissen binnen. In hoeverre dit verband houdt met de het weer is nog niet duidelijk, maar de overmaat aan westelijke winden zal hieraan zeker debet geweest zijn.
Van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden zijn maar liefst 21 bruinvissen gemeld (waarvan 5 bij Westkapelle) en de vastelandskust van Zuid- en Noord-Holland 17. Van de Wadden zijn 16 exemplaren gemeld, maar uitsluitend van Texel, Vlieland en Ameland; dit aantal wordt dus nog zeker opgehoogd.
Geheel in de trend van dit jaar (in zes van de acht maanden spoelde iets anders aan dan een bruinvis) bracht ook augustus weer een bijzondere soort: de bultrug bij Katwijk. Zie daarvoor het bericht hieronder.

Vieze kledder blijkt bultrug
Getverderrie, wat is dat voor smerigs? Strandwandelaars maken een wijde bocht als ze woensdag 18 augustus 2010 op het strand van Katwijk bij Paal 87 een stinkende vleeshomp zien liggen. Het is een lege glibberige huid waaruit her en der botten steken. Met dichtgeknepen neus zien ze al gauw dat het om een kadaver van een grote walvis gaat. De EHBZ (Eerste Hulp bij Zeehonden) wordt gewaarschuwd. EHBZ'er Kees Kooimans maakt foto's en stuurt ze direct rond naar specialisten van NCB Naturalis in Leiden en Kees Camphuysen van het NIOZ op Texel.

Hun unanieme oordeel komt snel: een bultrug, de vijfde die ooit op het Nederlandse strand aanspoelde en de tweede op de kust van Katwijk. December 2003 strandde bij het vissersdorp een jong dat waarschijnlijk nog bij zijn moeder zoogde, een pasgestorven exemplaar en geen zak met botten zoals nu.

De gemeente Katwijk besluit tot destructie van de vieze vleesklomp, maar NCB Naturalis wil de botten graag hebben. Het kadaver wordt daarom onder het zand begraven in afwachting van de snijploeg. Met hun scherpe messen fileren Ronald de Ruiter, Cor Strang en Kees van der Blom de vleeslap vakkundig. Schoon en wel brengen ze de botten naar het museum. Voor nader onderzoek en om opgenomen te worden in de toch al niet onaanzienlijke collectie.
Inmiddels is een verzamelde voorpoot opgemeten. De punt ontbreekt, dus er moet een stukje worden bijgeschat. We komen dan op ongeveer 150 cm. Een voorpoot van een bultrug is bijna een derde van zijn totale lichaamslengte. Het zou dus gaan om een bultrugje van ca. 4,5 meter. Bij geboorte zijn jonge bultruggen 4-5 meter lang. Het lijkt er dus op dat een bultrug ergens in de buurt van Nederland een jong heeft gekregen dat vlak voor, tijdens of spoedig na de bevallig is overleden.
Er bestaat ongetwijfeld geen verband met een aangespoelde jonge bultrug in Zuid-Engeland, maar spectaculair is het wel, al die bultruggen in de buurt van ons landje!
Maandoverzicht juli 2010
In totaal zijn in deze maand tot nog toe 33 bruinvissen gemeld, iets meer dan in juni en duidelijk meer dan het gemiddelde sinds 2002, dat op 27 staat. Alleen in juli 2009 (54 exemplaren) en 2007 (40) zijn er meer gemeld. De eind juni veronderstelde opmaat was dus goed voorzien. Op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden zijn er 12 gemeld, langs de vastelandskust van Zuid- en Noord-Holland 14 en op de Wadden 7. Eén bruinvis is drijvend opgemerkt in het Marsdiep. Bijzondere vondst deze maand was de gewone spitssnuitdolfijn bij Egmond; zie daarvoor het bericht hieronder.
Spitssnuitdolfijn bij Egmond
Op 18 juli strandde er opnieuw een levende spitssnuitdolfijn op de Nederlandse kust. Opnieuw, want de laatste keer was nog geen jaar geleden: op 4 oktober 2009 op de Maasvlakte. Dat is zo mogelijk nog spectaculairder dan een levende orka, want spitssnuitdolfijnen zijn voor onze kust werkelijk zeldzaam. Feitelijk komt er in de Nederlandse Noordzee geen enkele soort écht voor, want alle spitssnuitdolfijnen leven in diep water. Ze raken bij ons hooguit verdwaald. Van de Nederlandse kust zijn tot nog toe vijf soorten bekend: butskop (20 exemplaren), gewone spitssnuitdolfijn (16), spitssnuitdolfijn van Gray (1), spitssnuitdolfijn van de Blainville (1) en (spitssnuit)dolfijn van Cuvier (1). Wereldwijd worden veertien soorten in het geslacht Mesoplodon, waartoe ook de gewone spitssnuit behoort, onderscheiden. Deze soorten zijn doorgaans zeer moeilijk te herkennen en feitelijk is het bij de meeste alleen mogelijk aan de hand van de tanden in de onderkaak bij de mannetjes! Omdat de gewone spitssnuit het dichtstbij voorkomt (noordelijke Noordzee en aangrenzende Atlantische Oceaan), er in ons land ook de meeste strandingen van bekend zijn, en vanwege de kleur, het formaat en de lange snuit, is er van uitgegaan dat het dier in Egmond ook tot deze soort behoort. Dit is bevestigd door een expert, die er zelfs een jong mannetje in herkende. Dit is dus het zeventiende geval. De soort is niet alleen bij ons niet gewoon, ook op vreemde kusten is het een echte zeldzaamheid: in een publicatie uit 1989 worden wereldwijd slechts 77 gestrande individuen genoemd! Bekijken we het strandingspatroon van de Nederlandse gevallen, dan zien we een concentratie van strandingen rond 1950 en opeenvolgende gevallen in 1976-77 en 2009-10. Hieronder waren zeven vrouwen en vier mannen; van de rest is geen geslacht bekend.
Voor zover bekend zijn vijf exemplaren levend gestrand. Omdat er zo weinig van spitssnuitdolfijnen bekend is, is het erg jammer dat het Egmondse dier, net als die van de Maasvlakte, met gezwinde spoed is teruggeduwd. Het pleit weliswaar voor de aanwezigen, die het dier zo hoopten te redden, maar goede foto's van kop, buikzijde en van recht opzij, de juiste maten en bijvoorbeeld de aanwezigheid van littekens en parasieten hadden niet voor heel veel oponthoud hoeven zorgen en hadden ons vast meer geleerd over deze fraaie diepwaterdolfijnen. Overigens houden wij ons aanbevolen voor foto's van dit dier.
Op 22 juli, dus slechts zes dagen na het 'Egmondgeval', strandde een gewone spitssnuitdolfijn op de kust van Kent, Zuid-Engeland. Foto's zijn te zien op http://picasaweb.google.com/115642189592017124141/SowerbySBeakedWhale# Op een hiervan zijn duidelijk de tanden te zien.
Maandoverzicht juni 2010
In juni zijn 27 bijna of helemaal dode walvissen gemeld, iets meer dus dan het gemiddelde sinds 2002 (24). Alleen in juni 2006 (48) en juni 2009 (41) lagen de aantallen veel hoger. Na een traag begin, met erg weinig meldingen - slechts zeven in de eerste decade - ontstond er een eindspurt in de laatste decade met twaalf exemplaren. Een opmaat naar juli? De Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden waren goed voor (slechts) 4 bruinvissen, het vasteland van Zuid-Holland 7, Noord-Holland exclusief Texel (slechts!) 2 en de Wadden (maar liefst!) 11, waarvan 6 op Schiermonnikoog. Daarnaast is er een bruinvis gemeld bij Harlingen. Een op de kwelder bij Paesens gemelde dolfijn bleek na onderzoek ook een bruinvis te zijn. Spectaculair was natuurlijk de bijna-aangespoelde, nog levende orka (zie het bericht hieronder).
Voor het eerst in een halve eeuw!
Op 22 juni belde Kees Camphuysen: er werd een levende 'griend' in de haven van Lauwersoog gemeld. Omdat Kees nog geen foto's had gezien was de determinatie niet zeker. Op 23 juni kwamen de eerste plaatjes binnen en wat bleek: een heuse orka! Dat is voor het eerst in 47 jaar, want de vorige orka die op de Nederlandse kust aanspoelde was in 1963, een losse schedel in 2009 even buiten beschouwing latende. Vandaag horen we dat het gaat om een verzwakt jong vrouwtje van ca. 3,5 meter dat mogelijk de kudde is kwijtgeraakt. Nu lijkt het mij moeilijk voorstelbaar dat je als gezonde jonge orka een luid klikkende, fluitende en piepende kudde soortgenoten van elk enkele meters lengte kwijtraakt. Zou 'ie niet gezond zijn .....? De jonge orka is bij het Lutjewad, onder Schiermonnikoog, gevangen door de bemanning van de MS Krukel en medewerkers van het dolfinarium in Harderwijk, die een poging gaan doen 'm op te lappen.
Jonge orka ter hoogte van de Glinder, ten zuiden van Schiermonnikoog, 23 juni 2010. Foto: bemanning van MS Krukel

Er waren tot nog toe 28 gevallen van orka's in Nederland, dus dit is nummer 29. Slechts drie van die 28 orka's betrof levende dieren:
- 15 april 1832 sekse onbekend, rondzwemmend ten zuiden van Hollum, Ameland. Gedood en aan land gebracht.
- 30 november 1841 vrouwtje, levend gestrand bij Wijk aan Zee.
- 8 juli 1943 zwanger vrouwtje, levend gestrand op Terschelling.
Onder de 28 gevallen waren zeven mannetjes en zeven vrouwtjes; van de overige veertien was de sekse onbekend. Zie ook het uitgebreide artikel van Erwin Kompanje over orkastrandingen in Nederland (1995, Deinsea 2: 67-82).
Massastranding bruinvissen ....
.... maar niet heus. Toch zijn er zojuist in één klap twaalf bruinvissen voor 2009 aan de strandingslijst toegevoegd! Met dank aan Simon de Vries en Mardik Leopold, van Imares op Texel. Hoe dit zit? Bij toeval kwamen Simon en Mardik erachter dat er door het Den Helderse transport- en aannemingsbedrijf HMS in opdracht van de gemeente in de loop van 2009 'ongeveer twaalf bruinvissen' zijn opgehaald en vervolgens zijn vernietigd. Doodzonde natuurlijk, want er was vast nog veel van die dieren te leren. Zonde is echter ook dat ze niet eerder gemeld waren. Nu weten we geen datum en geen locatie, alleen maar '2009' en 'Noord-Holland-Noord'. Hoeveel meer bruinvissen verdwijnen er elders in het land onder het zand, in containers en in verbrandingsovens zonder dat er ooit een haan naar kraait? We gaan proberen de Nederlandse kustgemeentes zodanig bij het strandingsnetwerk te betrekken dat dergelijke bruinvismassastrandingen niet meer voorkomen.
Maandoverzicht mei 2010
Mei leverde 25 bruinvissen op, vrijwel evenveel als het meigemiddelde sinds 2002 (24). Het absolute meirecord viel in 2006 met maar liefst 58 bruinvissen, terwijl mei 2008 daar daar magertjes bij afstak met slechts 12 gemelde dieren. De vondsten van 2010 waren als volgt over het land verdeeld: Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden 9 exemplaren, vasteland van Zuid-Holland 5, Noord-Holland exclusief Texel 3, Waddeneilanden 6. Daarnaast zijn er bruinvissen gevonden op de Afsluitdijk (1) en in de Eemshaven (1). Rond 20 mei spoelde er op Engelsmanplaat een heuse bijzonderheid aan. Aanvankelijk werd aan een griend gedacht, nu lijkt, op grond van enkele verzamelde botten, de determinatie richting dwergvinvis te gaan. Het kadaver was rot en daarom moeilijk herkenbaar: zo ontbraken bijvoorbeeld kop, staartvin en rugvin. De bewakers hebben enkele botten verzameld, vast een vies karweitje. Aan de hand daarvan is determinatie mogelijk en te zijner tijd zal daarom de soort op zeker kunnen worden gezet. De botten zullen worden toegevoegd aan de wetenschappelijke collectie van NCB Naturalis.
Maandoverzicht april 2010
In april zijn 25 bruinvissen gestrand. Dat is nagenoeg gelijk aan het aprilgemiddelde sinds 2002, hoewel de schommelingen enorm zijn (april 2006 68, april 2008 13). Dit keer zat er niks leuks tussen de gestrande walvisachtigen. Bruinvissen zijn gemeld van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden (7 exemplaren), de vastelandskust van Zuid- (3) en Noord-Holland (5) en van de Waddeneilanden (9). Hooguit bijzonder was dit keer een bruinvis uit de haven van Termunterzijl.
Walvisliteratuur van Nederland
Het meest rechter tabblad op onze site vermeldde al sinds jaar en dag Taxonomie. Zo lang dat tabblad daar gestaan heeft was het ook al leeg - een wit gapend gat zonder informatie. Daar is nu verandering in gekomen. Met vereende krachten is een flinke lijst gecomponeerd met alle literatuur over walvisachtigen in Nederland. De lijst is vast niet compleet. We doen daarom een beroep op iedereen die aanvullingen of verbeteringen heeft.
Maandoverzicht maart 2010
Over maart zijn tot nog toe 68 strandingen ontvangen. Dat is duidelijk meer dan in februari 2009, toen er 47 dieren zijn gestrand. Het waren er deze maand meer dan twee keer zo veel als in februari van dit jaar. De meeste bruinvissen zijn dit keer gevonden op de vastelandskust van Noord-Holland (9), op de voet gevolgd door de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden (8) en de Zuid-Hollandse vastelandskust (8). De Waddeneilanden bleven qua aantal achter, maar dat is wat vertekend omdat veel meldingen uit die regio nog moeten binnenkomen. Op dit moment staat de teller voor Texel en Ameland op 5 en voor Terschelling op 4. Vlieland spant voor de Waddeneilanden de kroon, niet alleen qua aantal (7) maar vooral vanwege de levende gestreepte dolfijn, die op 31 maart aanspoelde! Dit is de negende gestreepte dolfijn voor ons land. De vorige strandde op 2 maart 2006 op ..... Vlieland! Het dier is door toegewijde Vlielanders op drie kilometer ten noorden van het eiland weer in zee losgelaten. Het laatste nieuws over dit dier is dat hij op 4 april nog springend en wel vanaf Vlieland is waargenomen door Jan Koning (mededeling Folkert Janssens).
Gestreepte dolfijn, gestrand op 31 maart 2010 op het Noordzeestrand van Vlieland. Foto Folkert Janssens
Maandoverzicht februari 2010
Ook in februari lag het aantal strandingen lager dan in 2009: 24 stuks (tegenover 57 in februari 2009). Normaal gesproken heeft januari het laagste aantal strandingen en stijgt het weer in februari. Wat dat betreft is 2010 geen uitzondering. Meldingen werden dit keer ontvangen van Zeeland/Zuid-Hollandse eilanden (4), Zuid-Holland (6), Noord-Holland (8), Texel (2) en Ameland (4). Bijzonder was een vers vrouwtje witsnuitdolfijn, dat op 16 februari op Neeltje Jans werd gevonden. Dankzij een soepele samenwerking kon het dier direct voor sectie naar Utrecht. Er is nog geen officiële uitslag van de sectie ontvangen, maar wel is bekend dat het dier sterk vermagerd was.
Beschadigde bruinvissen: oproep tot medewerking
Het zal de meesten wel zijn opgevallen dat deze winter weer ernstig beschadigde bruinvissen op het strand zijn aangetroffen. Ook in februari was dit het geval. Klik op de meldingen op de homepagina om een aantal fotos te zien. In een poging de oorzaak van de beschadigingen te achterhalen wordt nu in opdracht van het ministerie onderzoek gedaan aan deze dieren. Het is zaak dode dieren zo snel mogelijk te melden. Bel bij het vinden van een ernstig beschadigde bruinvis zo snel mogelijk met Merijn Hougee van Stichting De Noordzee, telefoon 06 454 86 373. Klik op de volgende links voor meer informatie.
http://www.noordzee.nl/actueel_artikel.php?contentID=289
http://www.noordzee.nl/actueel_artikel.php?contentID=292
http://www.walvisstrandingen.nl/ws/ws/i000353.html (scroll naar beneden)
Maandoverzicht januari 2010
In januari zijn slechts dertien bruinvissen gestrand, wat opvallend weinig is vergeleken met de 34 van de maand ervoor, of met de 33 van januari 2009. Ook in januari 2005-2007 waren de aantallen veel hoger, maar in januari 2008 strandden slechts acht bruinvissen. Bruinvissen in januari 2010 zijn gemeld van Texel (7), de vastelandkust van Noord-Holland (2) en Zuid-Holland (4). Er zijn geen andere walvisachtigen gemeld.
Jaaroverzicht walvisstrandingen in 2009
Wat walvisstrandingen betreft is 2009 wat spectaculairder verlopen dan 2008: het totaal is geëindigd op 484 exemplaren. Er zijn maar liefst zes soorten walvisachtigen gevonden: naast de alomtegenwoordige bruinvis ook een dwergvinvis (2 augustus te Ritthem, het 29e exemplaar voor Nederland), een bultrug (8 oktober op Ameland, vierde (dode) exemplaar voor Nederland), een gewone spitssnuitdolfijn (4 oktober op de Maasvlakte, zestiende exemplaar voor Nederland) en de welhaast obligate witsnuitdolfijnen (26 december op de Maasvlakte en 27 december twee op Ameland, nummers 194-196 voor Nederland). Daarnaast is er ook een heuse orka gevonden, maar deze telt misschien niet helemaal mee, omdat het om een losse, subfossiele schedel ging (12 september Scheveningen, 28e exemplaar voor Nederland). In 2008 zijn er 'maar' drie walvisachtigen gemeld: naast bruinvissen drie witsnuiten en één witflankdolfijn. Topjaar was 2006, met maar liefst zeven soorten: naast bruinvis ook witsnuitdolfijn, witflankdolfijn, gewone dolfijn, gestreepte dolfijn, griend en gewone vinvis.

In feite zijn alle walvisachtigen anders dan bruinvissen zeer spectaculaire vondsten, ook al heten sommige 'gewone'. Langs onze kust is tegenwoordig alleen de bruinvis echt gewoon. De Nederlandse kustwateren lopen geleidelijk af en het het water in de zuidelijke Noordzee is nergens diep. Verschillende walvisachtigen zoeken voedsel in diep water en kunnen daarom bij ons geen voedsel vinden. Dat geldt zeker voor een diepduikende soort als de gewone spitssnuitdolfijn. Deze soort komt wel in de Noordzee voor, maar met regelmaat alleen helemaal in het noorden. De gewone spitssnuitdolfijn die - nota bene levend! - strandde op de Maasvlakte, was dus een flink eind uit de buurt.
Gemiddeld strandden er sinds 1990 ruim vijf witsnuitdolfijnen per jaar. Zowel in 1990 als in 2000 waren dat er zelfs elf. Sinds 2000 stranden er echter steeds minder. Zou er iets aan de hand zijn? Op zich is het verheugend - als er minder gevonden worden, gaan er misschien ook wel minder dood. Of zouden er minder witsnuitdolfijnen in de zuidelijke Noordzee terecht komen? Anderzijds zijn de gestrande aantallen van deze soort zo klein dat het beeld dat de grafiek laat zien misschien wel toevallig is: eentje meer of minder op een gemiddelde van slechts vijf maakt natuurlijk nogal uit en ook in de jaren 1990 waren er flinke schommelingen.

Het jaar 2009 is wat bruinvisstrandingen betreft geëindigd als het op twee na 'beste' jaar, met 478 strandingen. Alleen in 2006 zijn meer dode bruinvissen geteld, namelijk 537. De meeste strandingen kwamen van de Waddeneilanden (ruim 40%), gevolgd door de vastelandkust van Noord- en Zuid-Holland (35%). De Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden waren goed voor bijna 25% van het totaal. Vergeleken met de periode 1997-2007 (Camphuysen et al. 2008) zijn er in 2009 duidelijk minder strandingen geweest in zowel de Delta als op de vastelandkust.


De laatste jaren tonen de bruinvisstrandingen steeds hetzelfde beeld: veel in maart en augustus en minder in de zomer- en wintermaanden. 2009 week iets af van dit patroon, doordat de maartpiek al in februari begon en de zomerpiek dit keer over de maanden juli-september uitgesmeerd was. Naar de oorzaken kunnen we alleen maar gissen. In de periode februari-begin april zien zeevogeltrektellers veel bruinvissen, erna zien ze tot in het najaar vrijwel geen bruinvissen en pas vanaf eind november komen er weer meer (zie http://home.planet.nl/~camphuys/Bruinvis.html). Hoe het nou precies komt dat bruinvissen wel stranden in de zomer maar vanaf de kust niet worden gezien is het volgende raadsel. Indertijd is geopperd dat bruinvissen 's zomers verder uit de kust verblijven; er zouden er dan dus niet minder zijn dan 's winters. Aan de andere kant lijkt zich in het voorjaar een golf van trekkende bruinvissen langs onze kust naar het noorden te bewegen, althans dat is wat de zeetrektellers registreren. De bruinvissen die 's zomers aanspoelen, spoelen in het zuidelijk deel van ons land net zo goed aan als elders. Raadsel nummer drie dus.

De bruinvissenmelders noteren op het strand naast versheid en toestand van het kadaver als het even mogelijk is ook geslacht en lengte. Een ruwe uitwerking van deze gegevens laat zien dat over de periode sinds 2005 mannen net iets vaker stranden dan vrouwen. In 2009 lag het percentage mannen echter wat lager dan in de jaren ervoor. Er strandden iets grotere vrouwtjes dan mannetjes (in 2009 ruim 122 cm tegen 116 cm). Overigens geldt dat we pas weten of deze verschillen reëel zijn als ze statistisch getest worden. Hetzelfde geldt voor lengteverschillen tussen jaren. Zo lijkt het alsof 2006, het jaar met de meeste strandingen, bruinvissen gemiddeld wat kleiner waren dan in de jaren ervoor en erna. Het is mogelijk dat in 2006 werkelijk kleinere bruinvissen voor onze kust aanwezig waren dan in andere jaren, maar het zou net zo goed veroorzaakt kunnen zijn omdat er bijvoorbeeld relatief veel jongen strandden; dit alles zijn speculaties en het is niet aan de hand van de database uitgezocht. Het wachten is op de gegevens van de secties, waar de juiste sekse en exacte lengtes worden genoteerd en waar hopelijk bovendien allerlei andere wetenswaardigheden vandaan komen, zoals mogelijke doodsoorzaken, uit- of inwendige verwondingen, afwijkingen, informatie over voedsel, zwangerschappen enzovoort. Tot die tijd is het voor de strandvonders: noteren en bewaren. Overigens ook voor de periode erna, want hoe langer we doorgaan met gegevens verzamelen, hoe interessanter het wordt.

Voor de meldingen van dode zeezoogdieren zijn we volledig afhankelijk van de melders. Met name de niet aflatende inzet van de mensen die de bruinvissen van het strand halen, ze in een vriezer deponeren of naar de destructie brengen en vervolgens de gegevens aan Naturalis melden, vaak vergezeld van een of meer fotos, worden zeer gewaardeerd. Ik wil daarom hierbij iedereen bedanken voor zijn of haar bijdrage aan de walvissendatabase.
Guido Keijl, NCB Naturalis
Literatuur
Camphuysen C.J., C. Smeenk, M. Addink, H. van Grouw & O.E. Jansen 2008. Cetaceans stranded in the Netherlands from 1998 to 2007. Lutra 51: 87-122.



