Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2019

    Jaaroverzicht walvisstrandingen in 2010

    Was 2009 al spectaculair wat betreft het aantal gestrande walvissoorten (namelijk vijf), 2010 overtrof dat dik, met maar liefst acht soorten, namelijk bultrug (18 augustus, Katwijk, vijfde voor Nederland), dwergvinvis (19 mei, Engelsmanplaat, dertigste), orka (22 juni, Lauwersoog, negenentwintigste), griend (4 september, Rottumerplaat, twintigste), gewone spitssnuitdolfijn (18 juli, Egmond, achttiende), gestreepte dolfijn (31 maart, Vlieland, negende), witsnuitdolfijn (16 februari, Neeltje Jans; 7 maart, Ouddorp, nummers 209-210) en natuurlijk talloze bruinvissen. Daarnaast zijn er nog een walvis/dolfijn gemeld van 7 januari op Terschelling (helaas geen verdere gegevens bekend) en een witsnuit- of witflankdolfijn op 16 september op Texel. Duidelijk is natuurlijk wel dat die laatste twee kadavers niet vers meer waren, dus herkenning alleen op grond van de buitenkant kan dan inderdaad erg moeilijk of onmogelijk zijn. Als er botten waren verzameld, zoals met de dwergvinvis van 19 mei of de griend van 4 september, die beide ook rot waren, was determinatie achteraf nog mogelijk geweest. Qua soortenaantal was 2010 niet alleen het soortenrijkste jaar sinds 2000; er zijn nog nooit zo veel soorten in één jaar gestrand!

    De orka, inmiddels Morgan genaamd, was trouwens een bijna-stranding, want het dier zwom zoals bekend nog (net) rond in het ondiepe water langs de waddijk. Dat zij toch in de strandingen is opgenomen, is omdat als men haar met rust had gelaten zij zeker was gestrand. Overigens is op het moment van schrijven, half februari 2011, nog altijd verhitte discussie gaande over deze orka, want moet ze nu losgelaten worden of voor altijd in een dolfinarium blijven?

    De andere niet-bruinvissen waren natuurlijk ook echte 'klappers', want alle zijn zeer zeldzaam in ons land. Opmerkelijk is overigens dat behalve de orka ook de gewone spitssnuit en de gestreepte dolfijn levend gestrand zijn. In tegenstelling tot Morgan zijn deze dieren echter subiet teruggeduwd in zee, wat althans voor de gewone spitssnuit niet goed is afgelopen, omdat hij vier dagen later alsnog is gestrand, maar dan op de Engelse zuidkust. Een geïllustreerd verslagje over beide dieren is in het archief over 2010 op de nieuwspagina van deze site te vinden. De gewone spitssnuit van 2009 op de Maasvlakte strandde overigens ook levend en ook dat exemplaar is teruggeduwd. Helaas weten we niet wat van dat dier geworden is.

    Voor wat betreft witsnuitdolfijnen kunnen we zien dat de al eerder gesignaleerde dalende trend die deze soort de laatste jaren liet zien zich ook in 2010 heeft doorgezet. In 1979, 1991 en 2007 strandde er slechts één, terwijl in alle andere jaren sinds 1979 er meer gemeld zijn.

    Het is niet erg verstandig om gestrande walvisachtigen zo snel mogelijk terug te duwen, om meerdere redenen. Ten eerste komen de dieren niet voor niets op het strand; ze zijn ziek en/of verzwakt, of er is nog iets anders mis, maar ga er maar van uit dat ondanks zijn naam een gezonde walvis nooit op de wal beland. Terugduwen is misschien zelfs wel tegen de wil van het dier. Ten tweede levert al dat volk met zijn geschreeuw, getrek en gesjor veel stress op, en dat is eigenlijk wat niemand wil, want terugduwen is toch eigenlijk bedoeld om het beest te helpen, en dan niet van de wal in de sloot. bovendien zijn alle walvissen stressgevoelige dieren, dus ze kunnen volledig in paniek raken en dat zou een reden kunnen zijn waarom het direct slecht met ze afloopt. In ieder geval voelen ze zich er ongetwijfeld ongemakkelijk bij. Ten derde is niet uitgesloten dat sommige dieren echt te helpen zijn, maar dan door professionele lieden. Terugduwen sluit de juiste hulp dus uit. Tot slot (en weliswaar een beetje ter zijde, maar toch) is determinatie van sommige soorten niet altijd even makkelijk. Spitssnuitdolfijnen zijn wat dat betreft berucht. Als een dier niet goed bekeken is door iemand die er verstand van heeft, kunnen we soms achteraf alleen maar gissen naar de juiste naam. Dat lijkt onbelangrijk, maar behalve dat het de landelijke registratie frustreert, veranderen er voortdurend dingen in het milieu, veranderen de soorten mee en is het dus werkelijk belangrijk om dat te weten.

    De dominante dode walvis op onze stranden was natuurlijk weer de bruinvis met 433 exemplaren. Dit aantal is eigenlijk nog wat hoger, omdat nog altijd niet alle gegevens binnen zijn. Zo weten we dat in de periode januari-augustus in de omgeving van Wijk aan Zee zo'n twintig bruinvissen zijn gevonden. Deze zijn echter nog niet 'officieel' gemeld en daarom nog niet meegerekend, maar er is contact met de vinder en we doen uiteraard ons best die gegevens nog binnen te hengelen. Het aantal in 2010 gestrande bruinvissen was dus vergelijkbaar met dat in 2009 (478). De timing van stranden was identiek aan die in vorige jaren, met pieken in maart en augustus en een dal in december (figuur 1).

    Figuur 1. Aantal gestrande walvissen per maand in 2010.

    Net als in vorige jaren is ongeveer de helft van de bruinvissen gemeld uit het Waddengebied, zo'n 30% van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden en een vijfde van de Hollandse kust (figuur 2.). Dat lijkt logisch: de Wadden hebben nu eenmaal meer kust dan bijvoorbeeld de Hollandse kust, met zijn kaarsrechte streepje zandstrand. Rekenen we de aantallen echter om naar aantallen per kilometer, dan komt er een totaal ander beeld uit: de meeste bruinvissen per kilometer lagen namelijk op de Hollandse kust.

    Figuur 2. Aantal gestrande bruinvissen, onderverdeeld naar Waddengebied (geel, links), Zuid-Hollandse-Zeeuwse eilanden (blauw, rechts) en Hollandse vastelandskust (paars, onder). De bovenste rij zijn de absolute aantallen, in de onderste rij zijn ze gecorrigeerd voor kustlengte.

    Het is verleidelijk om dat toe te schrijven aan de vindbaarheid. Langs de Hollandse kust wordt immers elke meter zand dagelijks intensief belopen, dus een dode bruinvis kan zich daar maar moeilijk verschuilen. De Zeeuwse delta, en zeker het Waddengebied, zijn daarentegen dermate uitgestrekt en onoverzichtelijk, dat een bruinvisje daar op zijn gemak kan vergaan zonder in het oog te lopen. Denk bijvoorbeeld ook aan de niet of slechts tijdelijk bewoonde eilanden zoals Noorderhaaks, Griend of Rottumeroog. Het bewijs wordt geleverd door dieren die niet worden geruimd, maar toch slechts eenmaal worden gemeld. Anderzijds is het natuurlijk ook mogelijk dat een en ander de werkelijke verspreiding van bruinvissen weerspiegelt. Als het echt zo is dat de meeste bruinvissen voor de Hollandse kust voorkomen, is het ronduit bedenkelijk dat nou juist dat stukje kust (om politieke redenen) buiten het Natura-2000-gebied valt!

    Naast het 'gewone' melden van dode bruinvissen wordt vaak nog een aantal andere karakteristieken doorgegeven, zoals lengte, sekse en toestand van het kadaver. Dit is vooral handig voor de registrator, omdat sommige dieren wel eens twee of meer keer worden gemeld en op die manier een dubbelcheck kan worden uitgevoerd. Ook daarom wordt soms navraag gedaan naar exacte strandingslocatie en foto's. Daarnaast zijn het natuurlijk ook gegevens die iets vertellen over de soort en hoe het met de populatie staat. Zo blijkt uit de opgegeven lengtes dat de jonge bruinvissen in het late voorjaar worden geboren, ongeveer vanaf mei (figuur 3). Uiteraard sterft daarvan een deel al spoedig.

    Figuur 3. Lengtetoename (in cm) van jonge bruinvissen per maand (5 = mei).

    De lengtes zoals die door de vinders/melders worden doorgegeven laten zien dat de groei van de jongen snel verloopt: in augustus zijn ze al zo'n vijftien centimeter langer dan bij de geboorte. Wel moeten we bedenken dat veel lengtes geschat zijn, soms door lieden die nooit eerder een bruinvis zagen en erg onder de indruk waren .... Ook is de de steekproef klein en wordt het bestand 'vervuild' door jongen van het vorige jaar die slecht gegroeid zijn en uiteindelijk het loodje hebben gelegd. De exacte lengtes zoals die door de onderzoekers in Utrecht gemeten worden, samen met een preciezere leeftijdsbepaling, zouden daarom natuurlijk een betere grafiek geven.

    Figuur 4. Lengtes per sekse van gestrande bruinvissen sinds 2005.

    Echt grote bruinvissen stranden het hele jaar door. Evenals in de jaren 2000-2009 waren in 2010 de vrouwtjes gemiddeld groter dan de mannetjes, maar het verschil was dit keer wel erg groot (figuur 4). Bovendien was het aandeel vrouwtjes veel groter dan in de jaren ervoor, namelijk bijna de helft (figuur 5) en dat gold ook voor de grote vrouwtjes (>130 cm). Een trend waarin de vrouwen verschillen van de mannen is dat het aandeel grote mannen (>130 cm) sinds 2007 tussen de 20-30% ligt (alleen in 2006 was het duidelijk lager) en tot en met 2010 niet wezenlijk verandert, terwijl het aandeel grote vrouwen (>130 cm) dat strandt steeds groter wordt.

    Figuur 5. Percentage mannetjes per jaar.

    Naar de oorzaak is het slechts gissen: zijn er relatief steeds meer grote vrouwen, bijvoorbeeld omdat er weinig jongen worden geboren (maar dan zou je die trend ook bij de mannen moeten zien), of wordt de omgeving hier langzaamaan steeds gunstiger voor echt grote (dus oude) vrouwelijke bruinvissen (maar waarom geldt dat dan niet voor de mannen)?

    Er gebeurt tegenwoordig veel op het bruinvissenfront. Zo hebben beroepsvissers per 1 januari 2011 ontheffing gekregen om per ongeluk bijgevangen bruinvissen aan te landen. Voorheen mochten ze niet worden bijgevangen en dat mag in principe natuurlijk nog steeds niet maar áls het dan toch gebeurt, laat dan het kadaver ten goede komen aan onderzoek. Een goede ontwikkeling dus. Daarnaast wordt er nog altijd onderzoek gefinancierd vanuit de overheid naar doodsoorzaken van gestrande bruinvissen. Dat gebeurt onder professionele leiding op de afdeling pathologie van de sectie Diergeneeskunde aan de Universiteit Utrecht. Dode bruinvissen worden door vrijwilligers van de EHBZ, aangestuurd vanuit de zeehondecrèche Lenie 't Hart in Pieterburen, en door andere vrijwilligers, ofwel direct naar Utrecht gebracht ofwel tijdelijk in vriezers opgeslagen. De magen worden bij de secties apart gehouden en de inhoud ervan wordt onderzocht door medewerkers van Wageningen Imares op Texel. Ook worden weefselmonsters genomen voor toxicologische analyse.

    Een constant punt van zorg is dat nog altijd niet alle bruinvissen worden gemeld bij de landelijke database. We hebben gepoogd het door het hele land opererende destructiebedrijf Rendac ertoe te bewegen bruinvissen apart te noteren, maar dat scheen niet mogelijk te zijn. Een andere manier waarop we dit probleem pogen te tackelen is door een brief, die binnenkort van overheidswege aan alle kustgemeentes wordt verstuurd met een (hernieuwd) verzoek tot medewerking en die hopelijk alle strandtenthouders, politie, douane, reddingsbrigades, strandvonders enzovoort en misschien wel lokale kranten zal bereiken. Dit brengt mij ten slotte bij de eigenlijke bruinvisvinders. Net als in vorige jaren geldt ook voor 2010 wederom een groot woord van dank aan hen, al die mensen in het veld, die vaak ogenschijnlijk achteloos de gevonden dieren 'melden en de melding verder afhandelen', zoals dat van achter een bureau zo simpel heet, maar waar vaak het nodige bij komt kijken. Ik wil ze hierbij bedanken voor hun bijdrage.

                                                                                                                                                                                                  Guido Keijl, NCB Naturalis