Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2019

    Jaaroverzicht walvisstrandingen 2015

    In 2015 zijn 311 gestrande walvissen genoteerd. Dat is slechts iets meer dan de helft van het totaal van 2014, dat op zijn beurt ook al lager was dan het jaar ervoor (figuur 1). We moeten zelfs ruim tien jaar terug in de tijd om nog lager uit te komen. De tijd zal leren of de piek in 2011-2013, met meer dan 700 bruinvissen per jaar, uitzonderlijk is geweest, of dat er in de toekomst niet meer dan gemiddeld één walvis per dag op de kust belandt.

    Figuur 1. Aangespoelde walvissen per jaar op de Nederlandse kust, 2000-2015. Oranje balken zijn bruinvissen, zwarte balken alle andere soorten.

    2015 was soortenarm ….

    2015 was weinig schokkend wat betreft het aantal soorten: er zijn er slechts 5 gemeld, die bovendien aan het eind van het jaar geconcentreerd waren. Ter vergelijking: in 2014 zijn er 9 soorten gemeld, in 2013 en 2012 elk 6, en in 2011 7. Ronduit spectaculair waren evenwel de 2 grienden (11 januari Hondsbossche Zeewering, 2 december Vlissingen, nummers 22 en 23 voor ons land). Vlak ervoor was ook al een griend aangespoeld (17 december 2014, Nieuw-Haamstede). Drie in zo'n korte tijd is uitzonderlijk. In oktober 2015 is een groep levende grienden voor de Hollandse kust waargenomen, eerst bij Castricum en twee weken later bij Scheveningen. Het voorkomen van zo veel grienden binnen een jaar is werkelijk bijzonder. Er zijn in 2015 ook nog waarnemingen geweest van levende bultruggen, dwergvinvissen, tuimelaars en witsnuitdolfijnen, al of niet vanaf de kust (bron: waarneming.nl), maar gelukkig leken deze alle gezond en zijn ze niet aangespoeld. De andere aangespoelde soorten in 2015 betroffen tuimelaar (drie vondsten van losse botten), een gewone vinvis (9 november bij Terneuzen, de 37e voor ons land) en twee dwergvinvissen (7 november bij Rotterdam, 12 december op de Razende Bol, nummers 36 en 37 voor ons land).

    Het is onduidelijk waarom er tot nog toe evenveel gewone vinvissen als dwergvinvissen in ons land zijn gemeld. Dwergvinvissen leven in de Noordzee, zuidelijk tot aan de Doggersbank, en af en toe zal er ongetwijfeld eentje nog wat zuidelijker komen; gewone vinvissen leven alleen in diep water en hebben in (het Nederlandse deel van) de Noordzee niets te zoeken. Dwergvinvissen komen ook voor in het zuidelijke Kanaal, gewone vinvissen juist weer ten zuiden daarvan, in het diepe water van de Golf van Biskaje. Je zou daarom verwachten dat er veel meer dwergvinvissen in ons land zijn aangespoeld dan gewone vinvissen. Misschien komt het wel omdat een gewone vinvis vanwege zijn formaat meer aandacht krijgt, maar dat geldt eigenlijk alleen voor het verre verleden: sinds Van Deinse in 1915 de walvisstrandingen heeft bijgehouden zullen er niet heel veel dwergvinvissen ongemerkt aan wal zijn gekomen. Overigens geeft het verloop van de dwergvinvisstrandingen een opmerkelijk beeld (figuur 2): sinds 1900 zijn er kleine piekjes en dalen te zien, met in de periode 1960-1969 zelfs niet één.

    Figuur 2. Aangespoelde dwergvinvissen (linker y-as, staven) en percentage bruinvissen (rechter y-as, blauwe lijn) per decennium.

    Nu is dat precies in de periode dat Van Deinse overleed (1965), waarna zijn waarnemersnetwerk in het slop raakte, maar of dat werkelijk de reden is blijft de vraag. Bovendien valt het ontbreken van dode dwergvinvissen in die periode mooi in een veertigjarig dal (1950-1990). Na 1990 namen bruinvissen weer toe na jaren van lage aantallen, en blijkbaar ook de dwergvinvissen. De overeenkomst tussen deze soorten is dat beide leven van kleine scholende vis, zoals haring, sprot en zandspiering. Of er werkelijk een oorzakelijk verband is, zal wel altijd onduidelijk blijven, zeker omdat de juiste aantallen dode bruinvissen uit de eerste helft van de vorige eeuw onbekend zijn; ze werden door Van Deinse niet genoteerd omdat ze te algemeen waren. De aantallen dwergvinvissen zijn per jaar weliswaar laag, maar het patroon is wel opvallend.

    Het is aardig om te zien dat in de periode dat de bruinvis voor de Nederlandse kust zeldzaam was er toch 'gewoon' andere soorten aanspoelden (figuur 3), tot zelfs 19 stuks in 1964. De periode waarin Van Deinse niet meer actief was, is duidelijk in de figuur herkenbaar, want er zijn toen wel 'andere' soorten boven water gekomen – waarschijnlijk achteraf, dankzij Husson en Van Bree – maar nauwelijks bruinvissen. Terwijl het aantal 'andere' soorten daarna niet afnam, nam het aantal bruinvissen langzaamaan toe, en met name vanaf eind jaren 1990 spoelden er steeds meer aan. Sinds 2006 ligt het aandeel 'andere soorten' onder 2%; alleen in 2015 kwam daar, vanwege het lage aantal bruinvissen, iets bovenuit (2,6%).

    Figuur 3. Percentage niet-bruinvissen per jaar sinds 1950.

    …. en ook de bruinvis was schaarser dan voorheen

    Bulksoort bruinvis spoelde dus in 2015 ruimschoots minder aan dan in voorgaande jaren: er zijn er maar 303 gemeld. Het aanspoelpatroon was in grote lijnen niet anders dan anders, met pieken in lente en herfst, waarbij de herfstpiek zoals gebruikelijk hoger was dan die in de lente (figuur 4). Er zijn wel kleine verschillen: de voorjaarspiek was in 2015 veel minder geprononceerd dan in andere jaren, en in juli en september zijn veel meer maar in augustus juist veel minder bruinvissen gemeld dan gemiddeld. Hoewel de wind in augustus 2015 vrij vaak pal uit het zuiden of uit oostelijke richtingen kwam en dus aflandig was, waren er zeker ook periodes met aanlandige wind, dus daaraan zal het niet gelegen hebben. Kennelijk waren er in de nazomer gewoon minder bruinvissen dicht onder de kust. Over 2005-2014 strandde bijna 36% van het jaartotaal in juli-september, in 2015 was dat bijna 39%, dus nagenoeg gelijk. Het ontbreken van flinke aantallen dode bruinvissen in augustus is dus blijkbaar gecompenseerd door de relatief hoge aantallen in juli.

    Figuur 4. Bruinvisstrandingen per maand in 2015 (aantallen, staven, linker as), vergeleken met de gemiddelden per maand over 2005-2014 (percentages, blauwe lijn, rechter as).

    De verdeling over de kustgebieden was iets anders dan het meerjarig beeld toont (figuur 5): normaal wordt bijna een vijfde (18%) gemeld uit Noord-Holland, maar in 2015 was dat 12% (36 exemplaren). De lagere aantallen in 2015 komen ook duidelijk tot uiting in het kilometergemiddelde, dat over 2005-2014 voor elk van de vier deelgebieden rond de 1,5 ligt, maar in 2015 alleen in het Waddengebied maar net op 1,0 uitkwam, terwijl het in Noord-Holland zelfs minder was dan een half. Het aantal aangespoelde bruinvissen in Noord-Holland is al sinds 2013 lager dan normaal.

    Figuur 5. Gemiddelde aantal bruinvissen per kilometer per deelgebied voor 2015 vergeleken met 2005-2014.

    In maar liefst drie maanden (februari, augustus, december) zijn uit Noord-Holland zelfs helemaal geen bruinvissen gemeld (figuur 6). Dat is uitzonderlijk, en we moeten terug tot 2005 voor een februari zonder bruinvis, tot 2007 voor een december zonder, en zelfs tot 1997 voor een augustus zonder. In het verleden waren februari en augustus maanden waarin juist veel bruinvissen op de Noord-Hollandse kust aanspoelden. Er is hier al eerder gesuggereerd dat de grootschalige werkzaamheden bij de Hondsbossche Zeewering, waar tussen 1 juli 2013 en maart 2015 permanent zand voor de kust is opgezogen om het vervolgens op de dijk te spuiten, van invloed zou kunnen zijn geweest. Het blijft speculatie, maar als de situatie na het stoppen van de werkzaamheden weer normaliseert, zou het interessant zijn om dit nader te analyseren. Het is echter de vraag of dat werkelijk goed uitvoerbaar is, want gegevens over de beschikbaarheid van de belangrijkste bruinvisprooien (grondels, zandspiering, haring en wijting) zijn waarschijnlijk maar nauwelijks beschikbaar.

    Figuur 6. Gemiddelde aantal bruinvissen per maand per kilometer in Noord-Holland voor 2015 en voor 2005-2014.

    Ongeveer de helft van het aantal gevonden bruinvissen uit 2015 is gesekst (49%, n=149), gelijk aan het meerjarig aandeel (50%, n=5536). Het aandeel mannetjes, dalende sinds 2005, lijkt te stabiliseren (figuur 7). In de jaren 2005-2007 was het steeds boven 61%, in de jaren erna steeds eronder, met als laagste punt 49% in 2014. Net als vorig jaar kunnen we niet meer opmerken dan dat het lastig is een verklaring te vinden voor veranderingen hierin.

    Figuur 7. Percentage gestrande bruinvismannetjes per jaar (n=2396).

     

    Ook dit jaar is van iets minder dan de helft van de aangespoelde bruinvissen een lengteopgave ontvangen, waarmee de daling in het aandeel gemeten dieren gelukkig ten einde lijkt. Uiteraard zijn lengtes van incomplete kadavers hierbij niet gebruikt. Het is belangrijk om aangespoelde (en complete) bruinvissen te blijven meten, omdat lengte een indicatie is voor leeftijd. Hiermee houden we een vinger aan de pols van (sterfte in) de populatie en veranderingen daarin. De steekproef voor 2015 is erg klein: er zijn maar 128 dieren gemeten, maar het beeld voor 2015 komt overeen met dat in de voorgaande jaren (figuur 8).

    Figuur 8. Aandeel gestrande bruinvissen per leeftijdsklasse (geschat op basis van lengte) voor 2015 (bovenste drie figuren) en 2005-20014. De beide linker figuren (categorie 'alles') omvatten zowel gesekste als ongesekste exemplaren. jong = <100 cm, subadult = 100-130 cm, adult = >130 cm.

    Normaal gesproken is ruim de helft (61%) van de gestrande bruinvissen subadult, en dat was in 2015 niet anders (59%). Ook voor gesekste dieren is het vergelijkbaar, maar het aandeel adulte vrouwtjes dat op het strand wordt gevonden is aanzienlijk hoger (respectievelijk 36% en 40% voor 2005-2014 en 2015) dan het aandeel adulte mannetjes (22% en 15%). Hierbij dringt zich natuurlijk als eerste de vraag op of de leeftijdsindeling wel klopt: mannetjes bruinvis blijven altijd wat kleiner dan vrouwtjes en zijn vermoedelijk al bij een kleiner formaat volwassen. Zou een erg grote bruinvis misschien eerder uitnodigen om te meten dan een kleiner exemplaar?

    De jongensterfte in de periode april-oktober was in 2015 vergelijkbaar met die over voorgaande jaren (23%, n=85, versus 19% over 2005-2014, n=360). Er zijn doorgaans iets meer dode jonge mannetjes dan vrouwtjes (18% versus 13%, n=2261), en in 2015 was de verdeling nog wat schever (27% mannetjes tegen 11% vrouwtjes, n=72, maar denk aan de erg kleine steekproef voor 2015). Het is onbekend of de sekseverhouding al bij geboorte scheef is. Hopelijk kunnen de sectiegegevens van Universiteit Utrecht daar binnenkort inzicht in geven.

    Er zijn 7 bruinvissen levend gestrand, of 10 als drie onzekere gevallen ('bloed sijpelt uit wond') worden meegerekend. Dit is 2,3% (respectievelijk 3%) van het totaal en is daarmee gelijk aan het meerjarig percentage (3%, n=163). In december-maart stranden de meeste levende bruinvissen (figuur 9).

    Figuur 9. Percentage levend gestrande bruinvissen per maand over 2005-2015 (n=172).

    Opvallend is dat er in de meeste maanden meer vrouwtjes levend stranden dan mannetjes: alleen in februari, juni en augustus zijn levende mannen in de meerderheid. Het is verleidelijk dat toe te schrijven aan zwangerschapsproblemen, maar dat is toch niet zo, omdat in alle maanden ook onvolwassen vrouwtjes levend stranden (figuur 10).

    Figuur 10. Lengteverdeling van levend gestrande vrouwtjesbruinvissen per maand (n=77).

    Net als in andere jaren was weer een groot aantal mensen betrokken bij het aanleveren van gegevens over gestrande walvissen. Allen worden wederom hartelijk bedankt voor hun inzet.

    Dit jaaroverzicht is ook te downloaden als pdf.

    Guido Keijl, Naturalis