Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2019

    Jaaroverzicht walvisstrandingen 2014

    Het totale aantal aangespoelde walvissen in 2014 is wat lager uitgekomen dan in voorgaande jaren, namelijk 579 (figuur 1). Na drie jaren met aantallen boven de 700, en in 2011 en 2013 zelfs bijna 900, zijn we daarmee weer op het niveau van 2006 (toen er 560 walvissen strandden).

    Figuur 1. Aangespoelde walvissen per jaar op de Nederlandse kust, 2000-2014. Oranje balken zijn bruinvissen, zwarte balken andere soorten.

     

    Zeven soorten in 2014

    Er zijn in 2014 acht soorten gemeld. Hieronder waren een gewone vinvis (20 augustus Scheveningen, de 37e voor ons land), een dwergvinvis (12 juni Terschelling, de 33e), een gewone dolfijn (15 maart Ouddorp, de 86e), een griend (17 december Nieuw-Haamstede, de 21e), een orka (11 augustus Noordwijk, de 32e), een potvis (25 juni, Wassenaar-Scheveningen, de 66e), een tuimelaar (augustus Terschelling, de 374e) en een witsnuitdolfijn (25 januari Petten, de 232e).

    De gewone vinvis dreef levenloos voor de kust bij Scheveningen en bleek zware inwendige verwondingen te hebben. Ook deze gewone vinvis lijkt weer te zijn aangevaren door een schip. Of dat in de zuidelijke Noordzee is gebeurd is twijfelachtig: dit gebied is eigenlijk niet geschikt voor deze soort, omdat zijn voedsel er niet voorkomt. Veel gewone vinvissen leven in de Golf van Biskaje. Het is niet uitgesloten dat het dier daar is aangevaren en op de 'bulb' van het schip is meegevoerd naar de Noordzee, waar hij er is afgegleden. Het is in dit verband ook vermeldenswaardig dat het in de dagen voor 20 augustus stormachtig was; een vinvis op de 'bulb' glijdt er met flinke golfslag natuurlijk gemakkelijk af. Deze vinvis kunnen we dus in het rijtje scharen van 'door schepen aangevoerde walvissen' zoals dat al in het jaaroverzicht van 2013 ter sprake kwam.

    De dwergvinvis van Terschelling betrof een jong exemplaar dat geheel was vergaan. Er is contact gezocht met de vinders om nog een onderdeel te bewaren als bewijs, maar dat bleek niet meer mogelijk. De gewone dolfijn van Ouddorp was al geruime tijd dood en rot, maar nog wel compleet. De soort is vanaf de jaren 1930 toegenomen en de piek in strandingen viel in de jaren 1930-1960 (figuur 2). Als we het totale aantal meldingen bekijken lijkt het dus of de gewone dolfijn behoorlijk algemeen is, maar het tegendeel is het geval: sinds 2000 zijn er maar 4 gemeld! Het is dus een grote zeldzaamheid. Dit geldt ook voor de griend, waarvan weliswaar nu 22 meldingen zijn (er is er ook een gestrand in januari 2015), maar sinds 2000 zijn er slechts 4 gevonden. Zie voor meer informatie over grienden in ons land dit bericht.

    Figuur 2. Strandingen van gewone dolfijnen in Nederland per decennium.

    De potvis lag verspreid over een groot stuk strand, in brokken en stukken, en is gedetermineerd door middel van DNA-analyse. De andere soorten die in 2014 de revue passeerden, betroffen alle botvondsten: tuimelaar (alleen rechter onderkaak), witsnuitdolfijn (alleen linker onderkaak), en orka (alleen rechter onderkaak).

    Hoewel de zuidelijke Noordzee, dus ook Nederland, niet bijzonder rijk is aan walvissoorten, komen er toch diverse soorten met enige regelmaat voor, ook soorten die niet of nauwelijks (levend) worden gezien. Het noteren van strandingen levert daarmee duidelijk extra informatie op over voorkomen van die soorten. Apart is dat het aantal soorten dat jaarlijks gemeld wordt stijgt: in de jaren 1990 lag het gemiddelde op 4, met alleen in 1996 5 soorten, maar sinds 2000 ligt het gemiddelde op (ruim) 5, met maximaal 8 soorten in 2010. 2014 was dus wat soorten betreft bovengemiddeld 'goed' – zij het dat het om dode dieren ging.

    Figuur 3. Aantal gestrande walvissoorten per jaar sinds 1990.

     

    Bruinvis

    Wederom was de talrijkste walvis op onze stranden de bruinvis, waarvan 571 meldingen zijn ontvangen. Dat was ruim minder (namelijk 65%) dan de bijna 900 in zowel 2013 als 2011, terwijl ook het aantal in 2012 hoger was (figuur 1). Ten opzichte van andere jaren waren met name de maanden april en mei 'mager', met respectievelijk ongeveer de helft en driekwart van het gemiddelde voor die maanden (figuur 4).

    Figuur 4. Bruinvisstrandingen per maand in 2014 (staven, linker as), vergeleken met de periode 2005-2013 (percentages, blauwe lijn, rechter as).

    Vanaf eind augustus nam het aantal aanzienlijk toe, met hoogste dagelijkse aantallen op 18 augustus en 9 september met elk 11 meldingen. Na september zakte het aantal echt in, met het dieptepunt in oktober met ongeveer de helft van het gemiddelde. We kunnen natuurlijk slechts gissen naar de oorzaak, maar de afgelopen jaren hebben geleerd dat de aantallen flink en abrupt kunnen fluctueren. Voor de hand ligt een reactie op de voedselsituatie voor de Nederlandse kust, waarbij kennelijk de geprefereerde bruinvisprooien elders vertoeven, maar er zijn natuurlijk andere scenario's mogelijk, bijvoorbeeld dat het elders nog veel beter is dan bij ons. Het is overigens opmerkelijk dat in 2013 de maanden maart-mei extreem hoge aantallen lieten zien, met een absoluut maandrecord van 199 bruinvissen in mei, terwijl daar in 2014 juist een 'gapend gat' zit. Ook de maanden juli-oktober, normaal gesproken goed voor ongeveer de helft van het jaartotaal, reikte nu niet hoger dan 42% van het jaartotaal van 2014. De grafiek laat zien dat dat vooral wordt veroorzaakt door het zeer lage aantal in oktober.

    In de meeste jaren neemt het Waddengebied ruim een derde van de absolute aantallen dode bruinvissen voor zijn rekening, gevolgd door Noord-Holland en de Delta met beide ongeveer een kwart; in Zuid-Holland wordt gemiddeld iets minder dan een vijfde van het totaal gevonden. In 2014 was dat geheel anders: de hoogste aantallen werden nu in zowel Waddengebied (204 exemplaren) als Delta (208) gemeld, in Zuid-Holland (117) een vijfde, maar in Noord-Holland een schamele 7% (42 exemplaren). Als we de getallen omrekenen naar het gemiddelde aantal dode bruinvissen per kilometer, lijken de deelgebieden in 2014 niet erg onder te doen voor de jaren ervoor, met uitzondering van Noord-Holland, dat ook wat dat betreft ver beneden het gemiddelde ligt (figuur 5). Voor 2013 werd eveneens geconstateerd dat aan de kust van Noord-Holland minder bruinvissen strandden.

    Figuur 5. Gemiddeld aantal bruinvissen per kilometer per deelgebied voor 2014 vergeleken met 2005-2013.

     

    Figuur 6. Gemiddeld aantal bruinvissen per kilometer per maand voor 2014 vergeleken met 2005-2013 voor de verschillende deelgebieden. Let op de afwijkende y-as voor Noord-Holland.

    In 2012 werd een verschuiving in aantallen geconstateerd van het Waddengebied naar het zuiden van het land, maar dat beeld is inmiddels niet meer terug te vinden. Het blijft overigens lastig om het Waddengebied te vergelijken met de gebieden ten zuiden ervan, omdat in die laatste, en zeker de Hollandse kust, de zoek-/vindfrequentie vast hoger is. Denk maar eens aan de oostpunten van met name Terschelling en Schiermonnikoog, en de uitgestrekte Vliehors, alle gebieden waar maar weinig mensen komen. Aan de andere kant is dat in andere jaren ook zo geweest, dus misschien gaat de vergelijking minder mank dan gevreesd.

    De maartpiek in strandingen is in 2014 vooral veroorzaakt door strandingen in de Delta: daar werd in die maand bijna een kwart van het jaartotaal gevonden (ter vergelijking: voor de Wadden was dat 8%, voor Noord-Holland 12% en voor Zuid-Holland 9%). Daarentegen was de nazomerpiek in september juist in Noord-Holland bijzonder geprononceerd en maakte het maandtotaal bijna 30% uit van het jaartotaal voor dat deelgebied (Wadden en Zuid-Holland beide 12%, Delta 11%). Er is geen enkel deelgebied dat het klassieke overall-strandingspatroon vertoont, met pieken in maart en nazomer. Uiteraard krijgt dergelijk cijferwerk meer betekenis als het over een langere periode dan slechts één jaar wordt berekend. Toch lijkt er langs de Noord-Hollandse kust echt iets aan de hand, want op moment van schrijven van dit jaaroverzicht (april 2015) ligt het kilometergemiddelde van de Noord-Hollandse kust al sinds oktober 2014 ver beneden dat van de andere deelgebieden en ver onder het meerjarig gemiddelde.

    Het aandeel gesekste bruinvissen was in 2014 wat lager dan in andere jaren (43% tegenover 51% over 2005-2013). Het aandeel mannetjes lag al jaren boven de 50% (figuur 7), maar neemt door de jaren heen af: over 2005-2013 gemeten was dit gemiddeld bijna 60%, in 2014 was het krap 49%. Het is lastig om hier een verklaring voor te bedenken, want voor zover bekend zijn er geen sekseverschillen bekend in bijvoorbeeld foerageergebied, voedsel, of sterfterisico.

    Figuur 7. Percentage gestrande mannetjesbruinvissen per jaar (n=2247).

    Het aandeel gemeten (inclusief de op lengte geschatte) bruinvissen per jaar blijft redelijk constant en ligt steeds boven de 42% (met uitzondering van 2013). Vrouwen waren weer groter dan mannen (123 versus 115 cm, n = 111 gemeten en gesekste bruinvissen). Opvallend genoeg waren voor beide seksen de maten voor kleinste en grootste individuen gelijk (man 70-170 cm, vrouw 74-170 cm). De lengte-opgave voor de grootste man is een schatting, en het ligt voor de hand dat dit iets overschat is. Aan de andere kant zijn de volgende drie grootste mannelijke bruinvissen gemeten, en deze waren 158, 160 en 165 cm, dus grote mannen lijken wel degelijk voor te komen.

    Doorgaans worden de afmetingen gebruikt om de leeftijd te schatten: dieren onder 100 cm zijn jong, die tot 130 cm subadult, en daarboven volwassen. Bij mannen lijkt in 2014 een gelijke verdeling over die leeftijdsgroepen te zijn gestrand (figuur 8), maar voor vrouwen is ongeveer de helft van de gestrande dieren subadult, net als bij bruinvissen van onbekende sekse. Als we dit over een veel grotere set bekijken, zien we dat het aandeel subadulte dieren voor beide seksen (en de fractie 'onbekend') doorgaans boven de 50% ligt (62 voor mannen, 55% voor vrouwen). Andersom gezegd: het aandeel aangespoelde jonge mannetjes in 2014 was veel hoger dan voor vrouwtjes, en ook veel hoger dan in andere jaren. Mogelijk dat dit te wijten is aan de kleine steekproef, want het gaat om maar 20 mannetjes onder de 100 cm. De jongensterfte, gemeten als aandeel dieren onder 100 cm van april-oktober, was 30% en daarmee flink hoger dan in andere jaren (2005-2013 21%).

    Figuur 8. Aandeel gestrande bruinvissen per leeftijdsklasse (geschat op basis van lengte, n=241 exemplaren) voor 2014 (bovenste drie figuren) en 2005-20013 (n=3105).

    Er zijn in 2014 14 bruinvissen levend gestrand; dit is 2,5% van het totale aantal en dat is vrijwel gelijk aan het meerjarige beeld (3.0%). In tegenstelling tot bij de dode bruinvissen strandden er iets meer vrouwtjes: in 2014 waren het 5 mannen en 6 vrouwen (en 3 sekse onbekend), van 2005-2013 waren dit 53 mannen en 62 vrouwen (en 33 sekse onbekend). Ook procentueel zijn er wat meer levende vrouwen dan mannen gestrand: 6,1% tegen 3,5% (n=4949).

    Rest mij nog om wederom alle mensen die de moeite hebben genomen om dit jaar een of meer strandingen te melden hartelijk te danken voor hun inzet.

    Dit jaaroverzicht is ook te downloaden als pdf.