Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2018

    Nieuws 2017

    • Jaaroverzicht walvisstrandingen 2017

      Elk jaar weer is het een verrassing wat er gaat aanspoelen. Zetten trends door of worden ze juist onderbroken, worden er nieuwe soorten voor ons land gevonden of vinden er anderszins spectaculaire gebeurtenissen plaats, zijn er nog nieuwe puzzels om op te lossen? Ook al houden we ons bezig met dode dieren in plaats van levende, we kunnen er nog veel van leren. Het is belangrijk om goed te blijven registreren, want registratie van toppredatoren als walvissen kunnen een indicatie zijn van de kwaliteit van het zeemilieu. Daarnaast is het natuurlijk altijd interessant om te zien wat de zee ons brengt.

      In vorige jaaroverzichten eindigde ik met een bedankje aan alle melders, dit jaar wil ik er mee beginnen. Ook in 2017 zijn er weer zo’n 200 melders geweest van dode bruinvissen of andere walvisachtigen. Allen worden zeer hartelijk bedankt, want zonder de melders en hun meldingen is een goede registratie absoluut onmogelijk.

      Alwéér meer walvissen

      Berekend over de periode 2005-2016 spoelden er jaarlijks gemiddeld 558 walvissen aan op de Nederlandse kust. In 2017 zaten we daar boven met 695 exemplaren (figuur 1). Hoewel het jaar aanvankelijk zeer rustig leek te gaan verlopen, was het eindaantal onverwacht hoog. Bij nadere beschouwing blijkt het zelfs het op drie-na-hoogste jaartotaal ooit te zijn. De 'drukte' zat 'm dan ook vooral in de tweede helft van het jaar (zie ook figuur 5).

       

      Figuur 1. Aantal aangespoelde bruinvissen (oranje) en andere walvissen (blauw) in Nederland van 2000 tot en met 2017. De stippellijn is het gemiddelde over de periode 2005-2017.

      Aantal niet-bruinvissen constant, maar soortsamenstelling steeds gevarieerder

      Het aandeel niet-bruinvissen sinds 2005 schommelt tussen 1,1-2,8% van het totale aantal, met een gemiddelde van 1,7% en dit blijft door de jaren heen heel constant (figuur 2). Vóór 2005 was het veel hoger, in 1996 zelfs 37%, maar dat valt eenvoudig te verklaren: in dat jaar spoelden slechts 49 bruinvissen aan en ook in de jaren na 1996 was het aantal dode bruinvissen op onze kust nog laag en het percentage bijzondere soorten daarom relatief hoog. Het aantal dode bruinvissen in ons land kwam pas in 2001 voor het eerst boven de 100 (figuur 1). (Hoe de aantallen in het verre verleden waren weten we niet, maar vermoedelijk zijn er ten minste periodes geweest waarin er net zo veel dode bruinvissen op het strand lagen als tegenwoordig.) De toename van de bruinvis in de zuidelijke Noordzee, en de schommelingen in het aandeel aanspoelingen van die soort, staan dus duidelijk los van de aantallen andere soorten.

      Figuur 2. Percentage niet-bruinvissen ten opzichte van het totale aantal aangespoelde walvissen sinds 2005. De zwarte stippellijn geeft het gemiddelde aan.

      Was 2017 wat andere soorten dan bruinvis betreft niet bijzonder qua aantallen, het was juist wel opvallend gevarieerd: er zijn 12 niet-bruinvissen van maar liefst 8 soorten gevonden. Hoewel andere soorten dan bruinvis in de zuidelijke Noordzee bijzonder blijven, lijkt het aantal soorten de laatste jaren toe te nemen, in tegenstelling tot het totale aantal (figuur 3).

      Figuur 3. Aantal soorten niet-bruinvissen per jaar sinds 1990.

      Tussen 1990-2001 spoelden jaarlijks 4 niet-bruinvissoorten aan (in deze 12 jaar slechts 1 keer 3 en 1 keer 5 soorten), maar sinds 2001 zijn het er vrijwel steeds meer dan 4 (3 soorten alleen in 2002 en 2005), met pieken tot 8 soorten in 2010, 2014 en 2017. Sinds 1990 zijn er in totaal zelfs 15 verschillende soorten vastgesteld (tabel 1). Het aantal soorten zal natuurlijk niet blijven toenemen, maar het is wel de vraag of het zo hoog blijft. De volgende vraag is natuurlijk waarom het tot 2001 qua soorten minder gevarieerd was.

      Tabel 1. Bijzondere walvissoorten, inclusief ongedetermineerde niet-bruinvissen, op de Nederlandse kust tussen 1990-2017, gesorteerd naar afnemend aantal. Vondsten van botten zijn niet meegerekend.

      witsnuitdolfijn 128 butskop 2
      potvis 25 noordse vinvis 1
      dwergvinvis 19 orka 1
      gewone vinvis 14 spitssnuitdolfijn van De Blainville 1
      gewone spitssnuitdolfijn 10    
      gestreepte dolfijn 10 ongedetermineerde dolfijn 16
      gewone dolfijn 9 walvis/dolfijn 2
      bultrug 6 dolfijn 2
      griend 6 kleine walvis 2
      witflankdolfijn 5 wintsnuit-/witflankdolfijn 2
      tuimelaar 4 grote walvis 1

       

      Hoewel de strandingen van niet-bruinvissen in 2017 iets meer over het jaar verdeeld waren dan in 2016, toen alle bijzondere soorten zich concentreerden in de tweede helft van het jaar, strandde ook nu de meerderheid (8 van de 12) na 1 juli. Bovendien telt één soort, gevonden op 9 januari, eigenlijk hooguit half mee, namelijk orka, waarvan alleen een stuk bovenkaak werd gevonden. Orka's zijn tegenwoordig buitengewoon zeldzaam in onze contreien: de recentste 'hele' orka was natuurlijk die uit 2010 ('Morgan'). Voor de eerstvolgende 'hele' orka daarvoor moeten we teruggaan naar 1963. Voor die tijd leefde er kennelijk een orkapopulatie in de buurt van ons land, want in 1900-1962 strandden er maar liefst 20. Van de aanwezigheid van deze verdwenen populatie genieten we nu nog na, getuige de vondsten van wervels, schedel en onderkaken in achtereenvolgens 1991, 2007, 2009, 2013, 2014 en 2017.

      Andere bijzondere soorten in 2017 die niet jaarlijks aanspoelen waren potvis (1 december Domburg, de 75e voor ons land), gewone dolfijn (11 april Westerschelde, de 90e), maar liefst 2 gewone spitssnuitdolfijnen (17 mei Egmond en 31 augustus Serooskerke, nummers 24 en 25) en een gestreepte dolfijn (25 oktober Zoutelande, de 12e). Van een dode gewone vinvis (20 augustus Texel, de 39e) kijkt tegenwoordig niemand meer op, hoewel het beslist een ongewone soort is voor ons land. De laatste jaren worden er echter zeer regelmatig gewone vinvissen gemeld, vaak in de nazomer maar gelukkig niet jaarlijks (2001, 2004 (2 stuks), 2006, 2008, 2011, 2012 (2), 2013 (2), 2014, 2015 en 2017). Bijzonder vanwege het aantal was dwergvinvis (de 42e), waarvan maar liefst 4 exemplaren zijn gevonden (13 april Vrouwenpolder, 14 november Texel, 9 december Zandvoort en 12 december Neeltje Jans). Zo veel dwergvinvissen in een jaar is nog nooit eerder voorgekomen. Sinds 1900 zijn er 27 jaren waarin er dwergvinvissen zijn gemeld, maar er zijn slechts drie jaren met 2 exemplaren en twee jaren met 3 (1939 en 1941).

      Figuur 4. Vondsten van witsnuitdolfijnen (donkere staven) en alle andere niet-bruinvissen in de periode 1990-2017, inclusief ongedetermineerde niet-bruinvissen, maar exclusief botvondsten. De stippellijnen geven het gemiddelde aantal witsnuitdolfijnen aan voor de betreffende periode.

      Het aantalsverloop van de niet-bruinvissen is des te bijzonderder als we de afname van de witsnuitdolfijn in aanmerking nemen (figuur 4). Van deze soort spoelden er in de jaren 1990 gemiddeld ruim 7 per jaar aan, in de jaren 2000 nog altijd 5 per jaar, sinds 2010 gemiddeld niet meer dan 1 en na 2012 zelfs vier opeenvolgende jaren met 0. In de periode 1972-2006 werd er jaarlijks ten minste 1 witsnuitdolfijn gemeld (alleen 0 in 1977) met een maximum van 13 in 1990. Dit is een (nagenoeg) aaneengesloten periode van maar liefst 34 jaar! De witsnuitdolfijn kunnen we dus tegenwoordig weer met een recht een zeldzame soort noemen. In 2017 werden we voor het eerst sinds jaren weer verrast door een dode witsnuitdolfijn (8 december Wijk aan Zee, nummer 231 voor Nederland).

      Bruinvis

      Tot voor kort kwamen er berichten dat de bruinvis in de zuidelijke Noordzee, na de toename vanaf de jaren 1990, weer op zijn retour zou zijn. Dat leek aanvankelijk inderdaad het geval na de piek in 2006, maar de afwisseling in pieken en dalen sinds toen laat zien dat de aantallen tussen de jaren flink kunnen schommelen zonder dat er vooralsnog een trend waarneembaar is. Zo zijn er in 2017 weer meer bruinvissen aangespoeld dan in welk jaar ervoor ook, met uitzondering van de jaren 2011-2013 (figuur 1). Hoewel er wat aanspoelfrequentie betreft dus duidelijk rustiger periodes zijn, blijven de aantallen over de jaren gezien dus onverminderd 'hoog'. We zijn overigens bijna vanzelfsprekend gefocust op jaren met veel sterfte, maar tussen al die jaren met pieken of gemiddelde aantallen valt eigenlijk vooral daljaar 2015 op, met ‘slechts’ 309 bruinvissen. We moeten maar liefst tien jaar (namelijk tot 2005) terug in de tijd om zo’n laag jaartotaal tegen te komen. Alleen monitoring – stug doortellen, melden en registreren – zal leren hoe het de bruinvis in Nederland vergaat.

      Juni rees de pan uit

      Zoals gezegd leek 2017 aanvankelijk een jaar te worden met lage aantallen: in de maanden januari tot mei waren de aantallen maand na maand ver onder het meerjarig gemiddelde (oranje staven in figuur 5). Dat werd echter ruimschoots gecompenseerd in juni, toen de aantallen dode bruinvissen dermate toenamen dat het op twee-na-hoogste juniaantal ooit werd bereikt, namelijk 68 exemplaren – ruim 2 per dag – tegen een meerjarig junigemiddelde van 46. Het landelijke maandkilometergemiddelde, dat in mei nog maar 0,31 was, sprong naar 0,74. In juli spoelden zelfs nog veel meer bruinvissen aan, 120 stuks, bijna twee keer zo veel als in juni, maar een piek in juli (-augustus) is minder opzienbarend dan een piek in juni. Misschien was de zomerstrandingspiek dit jaar dan ook wel ‘gewoon’ naar voren geschoven. De rest van het jaar bleef het kilometergemiddelde echter onverminderd hoger dan normaal, met uitzondering van augustus.

      Afgezien van de hoge aantallen vanaf juni is het ontbreken van de piek die jaarlijks in maart plaatsvindt opvallend. Zie het jaaroverzicht van 2016, waarin hier wat dieper op is ingegaan: de maartpiek is een jaarlijks terugkerend verschijnsel (de blauwe lijn in figuur 5), onder andere – of juist? – veroorzaakt door het sterk verhoogde aantal grijze-zeehondslachtoffers onder de bruinvissen, vooral bij Goeree.

      Figuur 5. Aantal aangespoelde bruinvissen per maand (oranje staven, linker y-as, n=681) uitgezet tegen het gemiddelde per maand over 2005-2016 (blauwe lijn, in procenten, rechter y-as, n=6588).

      Hoog kilometergemiddelde, lage jongensterfte

      Het kilometergemiddelde lag in 2017 hoger dan het meerjarig gemiddelde: 1,8 voor het hele jaar, tegenover 1,5 in de jaren ervoor. Dat komt vooral op het conto van Noord-Holland, waar dit jaar bijna een kwart van het landelijke totaal is gevonden, tegen 14% gemiddeld (figuur 6). Het kilometergemiddelde in Noord-Holland was duidelijk hoger dan in de andere deelgebieden (2,6), hoewel er in de Delta en Zuid-Holland eveneens meer vondsten waren dan normaal (kilometergemiddelde voor beide 1,5 keer hoger dan gemiddeld). Alleen het Waddengebied bleef dus nadrukkelijk achter: hier werden bijna de helft minder bruinvissen gevonden dan in andere jaren. Kennelijk heeft de bijzondere nultelling in februari in Zuid-Holland, zoals in de maandoverzichten al vermeld, het jaartotaal niet bijzonder beïnvloed. Een maand met nul bruinvismeldingen in Zuid-Holland is in de hier beschouwde periode alleen eerder voorgevallen in november 2005 en december 2015.

      Figuur 6. Aandeel gestrande bruinvissen voor de vier deelgebieden Delta (D, blauw), Zuid-Holland (ZH, rood), Noord-Holland (NH, groen) en Wadden (W, paars) voor 2017 vergeleken met de periode ervoor. De getallen geven het gemiddelde per kilometer per jaar.

      Is het mannenoverschot reëel?

      Het aantal gesekste bruinvissen is gelukkig weer iets gestegen ten opzichte van vorige jaren (54%, gemiddeld 48%). Dat is ook wel eens hoger geweest (58% in 2008), maar de dalende lijn lijkt nu wel tot stilstand gebracht. Hulde aan de melders natuurlijk. Het percentage mannetjes was in 2017 gelijk aan het meerjarig aandeel (59% tegenover 58,5%). Dit is wat lager dan het was (bijvoorbeeld ruim 62% mannetjes in 2005 en 2007, zelfs 65% in 2013). Of dit werkelijk een verandering in de populatie weerspiegelt is echter de vraag, want er is ook een andere, meer zorgwekkende verklaring hiervoor. In het veld zijn mannetjes vaak eenvoudig te seksen omdat er een penis te zien is. Bij vrouwtjes is dat uiteraard nooit het geval en mogelijk blijft daarom een deel van de vrouwtjes ongesekst. Als dit inderdaad zo is, betekent dat dat het aandeel vrouwtjes stelselmatig wordt onderschat. Gelukkig wordt een melding tegenwoordig vrijwel standaard vergezeld van foto’s. Staat de buikzijde erop en is de aangekoekte zandlaag niet al te dik, dan is het soms nog mogelijk om het dier vanaf de foto te seksen. Normaal is er in de Delta een nadrukkelijk mannenoverschot (62% man) dat naar het noorden toe geleidelijk afneemt tot 55% in het Waddengebied. In 2017 was het mannenoverschot in de Delta hoog als anders (64%), maar was de geslachtsverhouding in Zuid-Holland gelijk (51% man, n=94) en in Noord-Holland juist weer schever dan anders (59% man, n=71). Het aantal dieren waarop de steekproef is gebaseerd is echter niet hoog en de langetermijntrend is na toevoegen van de gegevens van 2017 niet wezenlijk veranderd.

      Figuur 7. Aandeel subadulte bruinvissen (100-129 cm) per maand in 2017 (oranje, n=288) tegen dat in 2005-2016 (zwarte lijn, n=3934).

      Minder volwassen vrouwtjes

      Het aandeel gemeten (of op lengte geschatte) bruinvissen was een fractie hoger dan gemiddeld: 42% tegenover 39%. Lengte wordt gebruikt als indicatie voor leeftijd: <100 centimeter wordt als jong beschouwd, 100-129 centimeter subadult en 130 centimeter of groter volwassen. Het aandeel subadulte dieren was in 2017 wederom wat lager dan anders (47% tegenover 55%, figuur 7), het aandeel adulten wat hoger (35% tegen 27%). Het verschil was vooral opmerkelijk bij de vrouwtjes: normaal gesproken is ongeveer de helft (51%) van de vrouwtjes subadult, maar in 2017 was dat maar 36%. Bij de mannetjes was het verschil veel minder uitgesproken (normaal 60% subadult, in 2017 53%). Het hoge kilometergemiddelde zoals boven genoemd is duidelijk niet toe te schrijven aan de jongensterfte, want dat is gemiddeld 21,4% (n=3934), terwijl het in 2017 iets lager was (17,9%, n=288). Er was wel een duidelijk piek in jongensterfte te zien, met 25 jonge dieren in juni-juli. In deze twee maanden strandde 49% van de jonge dieren, terwijl dat gemiddeld niet meer is dan 4%. Dit is een opmerkelijk verschil dat nader onderzoek verdient.

      Dit verhaal is ook hier te downloaden als pdf.

    • Maandoverzicht december 2017

      Was december na de hectische twee afgelopen maanden weer wat 'normaler' qua aantallen, met 42 walvissen ligt het aantal van deze maand nog altijd ruim boven het meerjarig gemiddelde van 31. December 2017 is dan ook derde in de rij (na 2011 met 58 en 2009 met 43).

      Uit de Delta zijn 15 meldingen ontvangen (waarvan 1 uit de Oosterschelde), van de Hollandse kust 18 (Zuid-Holland 14, Noord-Holland 4) en van de Wadden 9 (Texel en Vlieland elk 3, Terschelling, Ameland en Rottumerplaat elk 1).

      Er waren deze maand maar liefst 3 bijzondere soorten: een potvis (1 december Domburg, de eerste sinds januari 2016), wederom een dwergvinvis (9 december Zandvoort, de vierde dit jaar) en een witsnuitdolfijn (8 december Wijk aan Zee, de eerste sinds januari 2014).

    • Maandoverzicht november 2017

      Ook november was bovengemiddeld druk, net als oktober. Normaal is november wat strandingen betreft de stilste maand van het jaar, maar dit jaar zijn er 57 dieren gemeld, twee keer zo veel als het gemiddelde (28 over 2005-2016). Nog niet eerder in de geschiedenis van de walvisstrandingen zijn er in deze maand zo veel walvissen op het strand gevonden. Om een idee te geven: het op een-na-drukste jaar was 2016 met 43, nummer 3 in de rij is 2008 met 37.

      In de Delta zijn 18 bruinvissen gemeld (waarvan 1 in de Oosterschelde), langs de Hollandse kust 23 (Zuid-Holland 15, Noord-Holland 8) en van de Wadden 16 (Texel 4, Vlieland 6 en de overige bewoonde eilanden elk 2).

      Bijzondere soort deze maand was een dwergvinvis (14 november Texel).

    • Maandoverzicht oktober 2017

      Oktober 2017 zal herinnerd worden als een van de drukkere strandingsmaanden: er zijn deze maand maar liefst 77 meldingen ontvangen, de op een na drukste oktobermaand ooit. Alleen in oktober 2011 zijn meer walvissen gemeld, namelijk 113. Als we terugkijken in de recente historie (2005-2017) is het aantal maanden met meer dan 77 strandingen zelfs op drie handen te tellen: precies 15. Het verbaast dan ook niet dat het oktobertotaal van dit jaar ruim boven het gemiddelde van 39 ligt.

      Het aantal strandingen nam per deelgebied af van zuid naar noord: uit het Deltagebied waren het er 33 (waarvan 3 in de Westerschelde), van de Hollandse kust 29 (Zuid-Holland 20, Noord-Holland 9) en van de Wadden 14 (Texel 2, Vlieland 5, Terschelling 1, Ameland 1, Schiermonnikoog 1, vasteland 2).

      Naast bruinvissen (76 exemplaren) is er 1 andere soort gevonden, namelijk de gestreepte dolfijn van 25 oktober bij Zoutelande. Het dier was rot en verkleurd en daarom is hij pas na sectie op naam gebracht. Dit was de elfde gestreepte dolfijn in ons land en daarmee dus een hele bijzondere vondst. In lijn met de vorige gevallen (voor zover onderzocht) was ook bij dit dier de maag leeg. De zuidelijke Noordzee is voor deze pelagische soort duidelijk geen geschikte leefomgeving.

    • Maandoverzicht september 2017

      We zijn met 57 strandingen in september dit jaar weer nagenoeg terug op het meerjarig gemiddelde van 60, na een sterke verhoging in aantallen sinds juni dit jaar. Het lijkt niet veel, maar met 57 strandingen staat september 2017 nog altijd op de vijfde plaats: alleen septembermaanden van 2011-2014 leverden hogere aantallen op, namelijk respectievelijk 132, 108, 99 en 84.

      Er zijn dit jaar in september uitsluitend bruinvissen gemeld, verreweg de meeste in de eerste drie weken (83%). Dat is niet geheel onverwacht gezien de wind, die de eerste dagen zwak en aflandig was, maar vanaf de vijfde draaide naar westelijke richtingen en stormachtig werd in de periode 11-14 september. Vanaf 20 september draaide de wind weer naar het oosten.

      Uit het Deltagebied zijn deze maand 32 meldingen ontvangen (waarvan 2 in de Oosterschelde), van de Hollandse kust 16 (Zuid-Holland 12, Noord-Holland 4) en van het Waddengebied 9 (Texel 2, Vlieland 5, Terschelling 2). Van twee bruinvissen bestaat het vermoeden dat ze levend zijn gestrand (9 september Wijk aan Zee, 12 september IJmuiden), maar van de laatste ontbreekt helaas alle documentatie, ook foto's.

    • Maandoverzicht augustus 2017

      Gelukkig is, na het hoge aantal strandingen vorige maand, het aantal aangespoelde dieren wat afgenomen, maar nog altijd zijn 94 dode walvissen gemeld, ruim boven het meerjarig gemiddelde voor augustus, dat op 75 ligt. Augustus 2017 staat daarmee op de tweede plaats, direct na augustus 2016 met 88 aangespoelde walvissen. Op 1 torent nog altijd 2011 hoog boven de rest uit; dat jaar zijn alleen al in augustus 211 strandingen gemeld. Zonder het extreme aantal van 2011 ligt het augustusgemiddelde op 63. Er is vooralsnog geen verklaring voor de nog immer stijgende aantallen in augustus. Het is daarom misschien wel des te opvallender dat er in augustus 2015 zo weinig strandingen zijn gemeld, namelijk slechts 21.

      Een terugkerend spektakel in augustus lijkt tegenwoordig een stranding van een gewone vinvis. Een exemplaar van deze soort spoelde op 20 augustus op Texel aan, nadat het dier al drie weken eerder door rijkswaterstaat drijvend op zee was gezien. Dit was het 39e geval voor ons land.

      Eveneens bijzonder was de gewone spitssnuitdolfijn op de laatste dag van de maand. Dit vrouwtje was niet alleen naar onze contreien verdwaald, maar tot overmaat van ramp verzeild geraakt in de Oosterschelde, waar zij op 30 augustus nog zwemmend werd gezien nabij deltapark Neeltje Jans. In de zuidelijke Noordzee komt de prooi waar deze soort op jaagt niet voor – het water is er te ondiep en dat geldt natuurlijk helemaal voor de Oosterschelde. Sinds 1900 zijn er nu 26 gewone spitssnuitdolfijnen uit Nederland bekend, waarvan 10 sinds 2000. Hierbij zijn voor het gemak twee ongedetermineerde spitssnuiten meegerekend. Van de andere soorten spitssnuitdolfijnen uit ons land (de Blainville, Gray en Cuvier) zijn slechts drie exemplaren bekend, van elk een. Uitzondering is de butskop, waarvan er 21 uit ons land bekend zijn. Deze soort, die eveneens heel diep jaagt op inktvis, is ook altijd zeldzaam geweest; de laatste (2 exemplaren) strandden in 1993. Ruim de helft van de butskoppen is gestrand in de maanden juli-september. Van gewone spitssnuitdolfijn is dat zelfs drie kwart (20 exemplaren; figuur 1). Of er een overeenkomstige oorzaak is, is onbekend.

      Figuur 1. Strandingen van gewone spitssnuitdolfijn (oranje, n=26, inclusief twee ongedetermineerde spitssnuitdolfijnen) en butskop (blauw, n=21) in Nederland per maand.

      Naast deze twee bijzondere soorten zijn er 87 bruinvissen gemeld. De Delta was deze maand goed voor 31 bruinvissen (waarvan 7 in de Oosterschelde), de kust van Zuid-Holland en Noord-Holland hadden er elk 14, en de Wadden 31 (Razende Bol 1, Texel 13, Vlieland 15, Terschelling 4, Ameland 1, Schiermonnikoog 1, Afsluitdijk 1). Er was een concentratie in de eerste decade, met dagelijks 1-8 dieren. Daarna werd het wat rustiger, met uitzondering van 20-21 augustus, toen er respectievelijk 14 en 9 bruinvissen zijn gemeld. Rond deze periode was de wind hard en aanlandig (5 Beaufort), wat vast heeft meegeholpen aan deze opmerkelijke piek. Op Texel en Vlieland is een aantal bruinvissen gevonden met ogenschijnlijk afgehakte staart.

    • Alweer een gewone vinvis in augustus

      Op 7 augustus meldde de kustwacht dat er tijdens een verkenningsvlucht om 09:45 uur een dode walvis was gezien, ongeveer op de grens van Nederland en Engeland, 92 kilometer uit de kust bij Den Haag. Omdat het kadaver kennelijk niet in de (vaar)weg lag is er geen actie ondernomen. De begeleidende foto's toonden een gewone vinvis die al enige tijd dood was. Het dier dreef op zijn zij in het water en was in volle lengte zichtbaar (figuur 1 linker foto). De normale donkergrijze kleur was ongeveer in het midden van de linkerflank verkleurd naar geel, misschien omdat hier de opperhuid was verdwenen, misschien ook vanwege rotting, misschien omdat het dier op deze plek was geraakt door een schip en misschien ook wel door een combinatie van deze drie factoren. Iets verder richting de staart was de opperhuid kennelijk nog aanwezig en had het dier de gebruikelijke donkergrijze kleur, maar was ook een duidelijke donkerrode tint zichtbaar. Ongeveer ter plaatse van de gele vlek liep een soort 'band' of 'afdruk' vanaf de rug over de flank naar de buik. De staartwortel en een deel van de staartvin waren wit, net als vrijwel de gehele rug, met hier en daar plekjes donkere opperhuid. Op twee plekken op de buikzijde puilden de ingewanden eruit, ter hoogte van de navel en ter hoogte van de genitale spleet. Het kadaver was duidelijk aan het rotten, niet alleen gezien de verkleuring maar ook omdat hij flink boven het wateroppervlak uitstak, vanaf foto's gemeten misschien wel een meter. Een week na de eerste melding dreef het kadaver meer op zijn rug dan op zijn zij en bolden buik en vooral keel op, de buik vanwege rotting in de darmen, de keel misschien wel vanwege de rottende tong (figuur 1 rechter foto). De gehele onderzijde was nu roestbruin. Hoewel het niet makkelijk te zien is, zijn op 7 augustus de beide onderkaakhelften nog 'bijelkaar' en zijn de baleinen nog in de bovenkaak aanwezig; een week later, op 15 augustus, bungelen beide onderkaakhelften los in het water en lijken de baleinen weg te zijn. Op de eerste foto van 7 augustus waren er zo'n 150 noordse stormvogels om het kadaver heen verzameld (op de foto hieronder niet zichtbaar, misschien omdat ze zijn geschrokken van het vliegtuig), op latere foto's waren die niet meer te zien.

      Figuur 1. Foto's van de gewone vinvis op 7 augustus (linker foto, gemaakt door de kustwacht) en 15 augustus (rechter foto, gemaakt door Dolph Kamphuis).

      Gestaag naar noordoost

      Wij hebben aan de kustwacht gevraagd om indien mogelijk ook op de volgende dagen de posities van het kadaver door te geven, zodat de route kon worden gevolgd. De reststroom voor de Nederlandse kust is noordoost gericht, dus het lag voor de hand dat het kadaver zich ook in die richting zou verplaatsen. Met behulp van foto's hoopten we het afbraakproces te kunnen volgen. Er is niet veel bekend over snelheid en volgorde van verval van dode walvissen. We verwachtten dat als eerste de baleinen uit de kop zouden vallen en vervolgens de hele kop er zou afvallen, mits het kadaver daar de tijd voor zou krijgen, want daarvoor moet de rotting een eind op weg zijn.

      Figuur 2. Posities, met datum (in zwart) en de afstand (in kilometers, in rood) van de gewone vinvis in augustus 2017, vanaf eerste dag van melden op 7 augustus tot en met dag van stranden op 20 augustus.

      Dankzij diverse kapiteins en de kustwacht zijn van vier verschillende dagen meldingen ontvangen, mét posities. Wij hebben de posities op een kaart ingetekend en de afstanden berekend (figuur 2). De eerste week verplaatste de walvis zich in oostzuidoostelijke richting met een gemiddelde snelheid van slechts 6 kilometer per dag. In die periode was de wind steeds zwak en kwam uit variabele richtingen, zij het met een duidelijke westcomponent  Daarna ging het inderdaad noordoostwaarts (bij een zwakke wind uit ZZW), eerst heel traag, gemiddeld 3 kilometer per dag, daarna steeds sneller, totdat de walvis de laatste dagen een sprint inzette en met gemiddeld maar liefst 23 kilometer per dag voortraasde. Vanaf 17 augustus was de wind krachtig, ZW tot WZW 5-6 Beaufort.

      Zoals inmiddels bekend spoelde de walvis op 20 augustus aan op Texel bij strandpaal 17, juist ten zuiden van De Koog. Eenmaal gestrand was er natuurlijk geen fraaie walvis meer te zien, alleen nog maar een hoop rottend vlees. Het dier, een vrouwtje, was ruim 18 meter lang – de schatting op zee van 20 meter was dus bijzonder goed! In het midden vertoonde de walvis een knik en precies daar waren ook ribben en wervels gebroken. Bovendien was er geronnen bloed in de buikholte. Dit zijn duidelijke aanwijzingen dat de vinvis bij leven is aangevaren en als gevolg daarvan is overleden. Of het dier daarvoor al in slechte conditie was en bijvoorbeeld ziek aan het oppervlak dobberde was niet meer te zien, maar de maag en darmen waren goed met krill gevuld, wat suggereert dat het de walvis tot aan de aanvaring voor de wind is gegaan.

      Figuur 3. Hoop vormeloze gewone vinvis op het strand op Texel. Let ook op het bordje 'besmettingsgevaar' links.  Foto: Mardik Leopold

      Vinvis in augustus een jaarlijks terugkerend ritueel?

      Wij zijn de laatste jaren dermate gewend geraakt aan gewone vinvissen, dat we ons niet meer realiseren hoe bijzonder het is om die soort in onze omgeving te vinden. Als we strandingen bekijken sinds 1900, dan zien we een piek tijdens de Eerste Wereldoorlog (figuur 4; 4 exemplaren; zie ook Van Deinse 1931) en vervolgens een enorm 'gat' tot begin jaren 2000, met alleen twee geïsoleerde strandingen in 1944 en 1956. Vanaf 1998 gaat het 'los' met 14 strandingen in totaal, en sinds 2011 zelfs bijna jaarlijks 1 (in vier jaren) of 2 (in twee jaren).

      Figuur 4. Aantal aangespoelde gewone vinvissen in Nederland per jaar vanaf 1900 tot en met 2017.

       

      Figuur 5. Procentuele aandeel gestrande gewone vinvissen per maand (open staven, n=39) en apart voor gewone vinvissen vanaf 1998 (n=14).

       

      Ook over het jaar is er een verandering opgetreden: alle 39 gewone vinvissen in de database zijn behoorlijk gelijkmatig over het jaar verdeeld met in elke maand ten minste 1 stranding, met uitzondering van februari (figuur 5). Sinds 1998 is er echter een piek in augustus, veroorzaakt door 6 van de 14 vinvissen. We kunnen natuurlijk alleen maar gissen naar de oorzaak, maar enkele zaken zijn glashelder: gewone vinvissen komen niet voor hun plezier in de zuidelijke Noordzee, de soort is in de (na)zomer algemeen in de Golf van Biskaje (Hammond et al. 2017) en ten minste enkele van de gewone vinvissen die in Nederland zijn onderzocht, zijn doodgegaan door botsing met een schip. Alleen de toekomst zal leren of we dit vaker gaan meemaken, maar het feit dat een groeiend aantal gewone vinvissen in de zomer samenschoolt in de Golf van Biskaje terwijl er zeker niet minder grote zeeschepen via dat gebied door het Kanaal de Noordzee in komen doet het ergste vrezen.

      Ik ben veel dank verschuldigd aan René Bakker, Maaike Bink, Hilde Kertész en Erik Maassen van de kustwacht en kapiteins Anno Crone, Dolph Kamphuis en Peter voor het doorgeven van de posities en foto's. Mardik Leopold van Wageningen Marine Research en Arthur Oosterbaan van Ecomare deelden hun bevindingen over de buiten- en binnenkant van het kadaver en hun foto's.

      Referenties

      Hammond P.S., C. Lacey, A. Gilles, S. Viquerat, P. Börjesson, H. Herr, K. Macleod, V. Ridoux, M.B. Santos, M. Scheidat, J. Teilmann, J. Vingada & N. Øien 2017. Estimates of cetacean abundance in European Atlantic waters in summer 2016 from the SCANS-III aerial and shipboard surveys. Report St. Andrews, Schotland.

      van Deinse A.B. 1931. De fossiele en recente cetacea van Nederland. Dissertatie, Utrecht.

       

    • Maandoverzicht juli 2017

      Zoals verwacht op basis van het meerjarig beeld, met lagere aantallen strandingen in april-juni en hogere in juli-augustus, zijn er in juli 2017 inderdaad meer bruinvissen gestrand dan in de vorige maand. Nu was het aantal in juni onverwacht hoog, maar dat er in juli 116 bruinvissen zouden stranden had natuurlijk niemand voorzien. Het is dan ook bijna het dubbele van het meerjarig gemiddelde (65). Dergelijke aantallen zijn slechts in twee eerdere jaren voorgekomen, namelijk in 2011 met eveneens 116 en in 2012 met 130. Zonder die twee jaren ligt het gemiddelde zelfs maar op 53. Er zijn uitsluitend bruinvissen gemeld. Net als in genoemde jaren waren er veel rotte kadavers. Of dat alleen maar betekent dat ze in de zomer snel vergaan of dat ze verder weg zijn doodgegaan en er gewoon lang over hebben gedaan om aan te spoelen, net als vorige maand is gesuggereerd, is niet bekend. De 'massastranding' van juli heeft er voor gezorgd dat het daggemiddelde in 2017 van 1 naar 1,6 is gegaan, en dat in 1 maand!

      In de Delta zijn deze maand 28 bruinvissen gemeld (waarvan 1 uit de Oosterschelde), uit Zuid-Holland 38, uit Noord-Holland 22, van Texel 13, van Vlieland 12, en van Engelsmanplaat, Schiermonnikoog en Rottumeroog elk 1. Er zijn drie duidelijke pieken zichtbaar: op 4 juli (een dag na ZW 5 Beaufort), rond 15 juli (periode met aanlandige wind rond 4 B) en een veel bredere piek tussen 25-30 juli (ZW tot NW 3-6 B).

      Er zijn ongeveer even veel mannen als vrouwen gestrand (33 om 29), 13 kalfjes en maar 1 levende bruinvis (4 juli Westenschouwen).

    • Maandoverzicht juni 2017

      De trend van een bruinvis per dag (op 31 mei, dagnummer 151, waren er 159 meldingen ontvangen), een situatie die al duurde vanaf januari dit jaar, is deze maand gebroken: afgelopen maand gaat de boeken in als de junimaand met het op twee-na hoogste aantal gestrande bruinvissen ooit! Er zijn namelijk 63 meldingen ontvangen, tegen gemiddeld 44 over 2005-2016. Het aantal werd alleen (ruim!) overtroffen in 2013 met 95 en 2016 met 67 dieren. Of deze trend doorzet en we aan het eind van 2017 'hoog' uitkomen zal de tijd leren. De aantallen in de eerste maanden van dit jaar leken nogal laag in vergelijking met die in andere jaren, maar tot op heden is niet onderzocht of er verbanden zijn tussen het aantal strandingen in een bepaalde maand en het jaartotaal.

      Er zijn uitsluitend bruinvissen gevonden. Uit het Deltagebied zijn 28 meldingen ontvangen (2 uit de Wester- en 3 uit de Oosterschelde), van de Hollandse kust 22 (Zuid-Holland 12, Noord-Holland 10) en van de Wadden 13 (Texel 2, Vlieland 6, Terschelling 1, Ameland 1, Schiermonnikoog 3). Omdat voor zover bekend de meerderheid rot was, kwamen de kadavers misschien wel van verder uit de kust.

      Er zijn 8 kalfjes gemeld; 2 daarvan zijn levend gestrand op dagen met vrij harde wind (6B). Mogelijk zijn zij hun moeder kwijtgeraakt. Interessant waren ook twee kalfjes uit de Oosterschelde. De enige andere levend gestrande bruinvis was een exemplaar op 18 juni op Vlieland.

    • Maandoverzicht mei 2017

      De strandingen sukkelden ook in mei voort met ongeveer een per dag. Er zijn 27 meldingen ontvangen, 26 van bruinvissen en 1 van een spitssnuitdolfijn (17 mei, Egmond). Het meerjarig gemiddelde voor mei ligt op 40. Dit hoge aantal wordt vooral veroorzaakt door de 50 vondsten in mei 2016 en de 121 (!) vondsten van mei 2013. Sinds 2005, maar zonder deze twee jaren, ligt het gemiddelde voor mei op 31.

      Meer dan de helft kwam weer uit het Deltagebied (15), de rest uit Zuid-Holland (3), Noord-Holland (1) en de Wadden (8: Texel 3, Vlieland 2, Terschelling 2, Ameland 1). Opvallend was dat van de 15 bruinvissen uit de Delta er 8 uit de 'binnenwateren' kwamen, te weten 3 uit de Westerschelde en 5 uit de Oosterschelde.

      Eén bruinvis is levend gestrand (22 mei, Terschelling). Het eerste kalfje van dit seizoen spoelde (dood) aan op 31 mei, nadat al op 7 mei een hoogzwangere bruinvis was gevonden in Zeeuws-Vlaanderen.

    • Maandoverzicht april 2017

      In april 2017 zijn 35 walvissen gestrand: 33 bruinvissen, een dwergvinvis (13 april, Vrouwenpolder) en een gewone dolfijn (11 april, Hooge Platen). Het 'ritme' van gemiddeld een stranding per dag loopt al door vanaf februari.

      Traditiegetrouw zijn de meeste meldingen ontvangen uit de Delta (17, waarvan 6 in de Westerschelde), gevolgd door Zuid-Holland (8), Waddengebied (8: Texel 1, Terschelling 3, Ameland 1, Schiermonnikoog 2, Groningse vasteland 1) en Noord-Holland (2). Twee bruinvissen zijn (zeker of waarschijnlijk) levend gestrand, in ieder geval een daarvan was zwanger.

      De gewone dolfijn was de eerste niet-bruinvis sinds 10 september 2016 (toen er op Terschelling een gewone spitssnuitdolfijn strandde). Een periode van 7 maanden zonder andere soort dan bruinvis is vrij uitzonderlijk. Er zijn sinds januari 2005 maar zes lange periodes zonder niet-bruinvis: 2006-07 (19 maanden), 2008-09 (15 maanden), 2009-10 (6 maanden), 2010-11 (7 maanden), 2011-12 (13 maanden), 2013-14 (8 maanden).

    • Maandoverzicht maart 2017

      Over maart 2017 zijn 29 meldingen ontvangen, uitsluitend van bruinvissen. Net als vorige maand is dit veel minder dan het meerjarig gemiddelde, dat voor maart op 61 ligt, maar wel volledig in lijn met het gemiddelde van een stranding per dag zoals dat al in februari werd geconstateerd.

      Uit de Delta kwamen 12 meldingen (1 uit de Oosterschelde), uit Zuid-Holland slechts 2, uit Noord-Holland slechts 1 en uit het waddengebied 14 (Texel 3, Vlieland 7, Terschelling 1, Ameland 1 en zowel de Friese als Groningse vastelandskust elk 1).

      De omvangrijke slachting die jaarlijks door een of meer grijze zeehonden op de kop van Goeree wordt aangericht bleef dit jaar uit, hoewel er daar wel degelijk verscheurde bruinvissen zijn aangespoeld. De teller voor die regio bleef echter steken bij 8, waarvan zeker of vermoedelijk 7 verscheurd. De enige verscheurde bruinvis die niet bij Ouddorp lag was er een van Texel. Dit betekent dat 44% van de aangespoelde bruinvissen in maart slachtoffer is geworden van een grijze zeehond. Een levende bruinvis spoelde op 7 maart aan op Terschelling.

    • Chris Smeenk overleden

      Op 23 maart 2017 is oud-conservator zoogdieren Chris Smeenk (geboren 6 juli 1942) te Leiden na een kort ziekbed overleden. Hij volgde in 1976 pater Husson op bij Naturalis, toen nog Rijks Museum van Natuurlijke Historie. Chris heeft zich tijdens zijn arbeidzame leven veel met walvissen beziggehouden. Zo was hij een van de oprichters van de European Cetacean Society. In Naturalis verzamelde hij onder andere de walvisstrandingen in Nederland, waarvan hij overzichten publiceerde in het wetenschappelijk tijdschrift Lutra van de Zoogdiervereniging. Daarnaast begeleidde hij studenten bij hun onderzoek naar de ecologie van walvissen in ons land, bijvoorbeeld de voortplantingsbiologie van bruinvissen, het voorkomen van gewone dolfijn, tuimelaar en witsnuitdolfijn, en voedsel van bruinvissen en dolfijnen. Chris was ook geïntrigeerd door de incidenteel optredende massastrandingen van potvissen in de Noordzee en schreef daar verschillende publicaties over. De huidige strandingsregistratie, aanvankelijk opgezet door Van Deinse, voortgezet door Husson en Van Bree, en later overgenomen en nauwgezet bijgehouden door Chris, vormt een omvangrijk archief en is een bron van informatie en inspiratie. Door zijn betrokkenheid en doorzettingsvermogen heeft hij menig walviskadaver weten te redden van een roemloos einde in een afvalbak. Erwin Kompanje heeft Chris' toewijding fraai geïllustreerd in dit verhaal.

    • Maandoverzicht februari 2017

      Februari verliep qua strandingen even rustig als vorige maand: er zijn 28 bruinvissen gemeld, oftewel gemiddeld één per dag. Dat is ruim onder het meerjarig gemiddelde, dat op 38 ligt. Andere soorten dan bruinvis zijn niet gevonden.

      Uit de Delta kwamen 7 meldingen (1 uit de Oosterschelde), uit Zuid-Holland 0 (!), uit Noord-Holland 14 (!) en van de Wadden 7 (Texel 3, Vlieland 1, Schiermonnikoog 3). De aantallen in Zuid- en Noord-Holland zijn opvallend anders dan in andere jaren: gemiddeld strandden er tussen 2005-2016 in beide provincies in februari 7 bruinvissen, hoewel de spreiding groot is: voor Zuid-Holland 1-14, voor Noord-Holland 0-20. Een nul voor Zuid-Holland was tot op heden niet genoteerd.

      Op grond van de foto's leken 10 bruinvissen slachtoffer te zijn geworden van grijze zeehond en 5 niet. Van de overige 13 was dat niet met zekerheid te zeggen. De grijzezeehondslachtoffers zijn vooral gevonden langs de Noord-Hollandse kust, verspreid van Castricum tot Julianadorp (8 van de 10).

    • Jaaroverzicht walvisstrandingen 2016

      Het jaaroverzicht walvisstrandingen 2016 staat online. Klik hierboven op 2016, of klik hier.

    • Maandoverzicht januari 2017

      Januari is altijd een van de rustigste maanden van het jaar wat betreft aangespoelde walvissen, en 2017 lijkt daarop geen uitzondering te zijn. Gemiddeld sinds 2005 spoelen er in deze maand 33 dode walvissen aan; daar zaten we dit jaar duidelijk onder met 23 dode bruinvissen. Andere soorten zijn er niet gemeld. Wat een verschil met vorig jaar, toen er in januari naast 25 bruinvissen ook 6 potvissen, 2 gestreepte dolfijnen en 1 gewone dolfijn strandden!

      In het Deltagebied zijn dit jaar 8 bruinvissen gemeld (waarvan 1 uit de Oosterschelde), van de Hollandse kust 11 (Zuid-Holland 5, Noord-Holland 6) en van de Wadden 4 (Texel 3, Friese vastelandskust 1). Er zijn geen levende bruinvissen gemeld. Vier van 11 gefotografeerde dieren lijken slachtoffer te zijn geworden van grijze zeehonden: bij Westkapelle, bij de Zilk/Langevelderslag (2) en bij Petten. Daarnaast lijkt 1 bruinvis te zijn verdronken in een net (9 januari Noordwijkerhout).